Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen

Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

En een derde deel! Nog Meer Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

zaterdag 6 februari 2016

Camorra





We waren de slagboom van de parkeergarage nog niet gepasseerd, of een man hield ons staande. Nog voor we het autoraampje geopend hadden, knikte hij ons al minzaam toe en maakte daarbij een lichte buiging met zijn bovenlichaam. Een priester? Nee, hij droeg het kostuum van een bedrijfsmedewerker, niet dat van een geestelijke. Hier werden auto’s geparkeerd, geen zielen. „Solo il conducente,” zei de man bedeesd zodra ons raampje open was geschoven. Watte? „Non capisco,” antwoordde Nico verbouwereerd. Wat zou hij nou bedoelen? „Solo il conducente può entrare, per ragioni di sicurezza,” vervolgde de man zijn uitleg, waarbij hij minzaam bleef kijken en nog maar eens onderdanig boog. Of de medepassagier alstublieft hier wilde uitstappen, dat was de smeekbede van de pseudo-prelaat, zoveel begrepen we nu wel, maar waarom in vredesnaam? Wat konden die veiligheidsredenen zijn? E il cane? Deve anche uscire adesso?” vroegen we ten overvloede. Ja, het was ook beter dat de hond de auto hier verliet, je weet ten slotte maar nooit. Nooit? Wij weten helemaal niets! Wel spookhuis ging de conducente hier binnenrijden? 

Nadat ik met hond en jas in allerijl de auto verlaten had, vaarwel zwaaiend naar de nog immer verbouwereerde chauffeur, dirigeerde de medewerker mij naar de uitgang, il tunnel. Dat bleek een tochtgat dat kennelijk dwars door de berg naar de stad Amalfi leidde. Ik stelde me strategisch op tussen de verschillende in- en uitgangen die ik zo op het oog ontwaarde, want ik had geen idee waar (en wanneer?) mijn Odysseus uit de parkeeronderwereld tevoorschijn zou komen. Na een minuut of vijf verscheen hij ergens, nauwelijks te ontwaren, in de verte. Ik liep naar hem toe en zag dat hij zijn jas niet bij zich had. „Heb jij mijn jas niet meegenomen?” vroeg hij kleumend. „Nee, in de haast heb ik alleen mijn eigen jas gepakt!” Hij kon dus terug. Via een andere ingang want de deur waaruit tevoorschijn was gekomen, was in het slot gevallen en kon alleen van binnenuit geopend worden. Zucht. Pas toen hij alweer weg was, realiseerde ik me dat ook de reisgids nog in de auto lag. Dat stomme gekloot ook! Waarom mocht alleen de bestuurder naar binnen? We kwamen er niet achter. De parkeergarage leek er een als elke andere, waar je met je hele hebben en houden zonder problemen naar binnen mocht. Was het iets met de mafia? Drugshandel? Wapens? Geheime afspraken? Moordpartijen?

We waren voor het eerst in Zuid-Italië, dus de fantasie ging nogal eens met ons op de loop. Overal dachten we sporen van de camorra, de Zuid-Italiaanse tak van de mafia, te zien. We zagen dure glimmende auto’s geruisloos voorbij schuiven, met aan het stuur (de ’conducente’!) gedistingeerde, gebronsde, oudere heren met zijden dasjes en gouden brilmonturen en dachten: il capo dei capi, de maffiabaas! Wat was er hier trouwens veel politie op de been, overal zag je de auto’s met carabinieri of polizia. Niet dat de rechtsdienaren veel activiteit vertoonden trouwens, ze waren vooral aan het kletsen met voorbijgangers, terwijl achter hun rug ... Of niet? Voor de lunch die we op een terras genoten hadden, moesten we twee panden verder bij de gelateria afrekenen. Hè? Zou de ijscoman soms de afperser van de buurt zijn, waaraan elke winkelier van de straat zijn inkomsten moet afstaan? Camorra, camorra, zoemde het in ons hoofd. De man van de gelateria zong er in ieder geval vrolijk bij, boven zijn vitrine met uitpuilende bergen ijs, waaronder de specialiteit van de zaak: een roomwitte met citroengele strepen doortrokken ’O sole mio’

Napels, de maffiahoofdstad van Italië (of was dat Palermo, of Corleone? Milaan???), durfden we daar eigenlijk wel naar toe? Het bezoeken van dit Parijs aan de Middellandse Zee, zoals Napels in welvarender tijden heette, was een must, maar het sterven stelden we liever nog wat uit. Van de verkeerschaos die daar moest heersen, hadden we hier in Salerno en omstreken al een voorproefje gekregen. Onmogelijk nauwe straatjes met haakse bochten, schots en scheef en dubbel geparkeerde auto’s die de doorgang belemmerden, mensen die zonder op te letten dwars overstaken, scooters die uit alle hoeken en gaten tevoorschijn schoten: je kwam ogen te kort. En o wee als je bij een kruising even aarzelde alvorens je je in de voorbij razende stroom van zwaar gehavende en gedeukte voertuigen stortte! Dan werd je meteen links én rechts voorbij gestoken door conducenti die nog nooit van sicurezza schijnen te hebben gehoord! We hadden dan wel het eigen risico voor krasschade bij het verhuurbedrijf afgekocht, maar of een total loss daaronder viel? 



Het kleine Vietri sul Mare, waar we een vakantiehuisje hadden gehuurd, gaf ons ook een voorproefje van hoe Napels zou moeten zijn. Smalle, bochtige straatjes langs piepkleine speciaalzaakjes, pijpelaatjes, die alleen schoonmaakmiddelen verkopen, of alleen groenten, alleen pasta, etc. Supermarkten zag je in deze streek nog nauwelijks (omdat die moeilijk af te persen zijn?), het waren allemaal kleine familiebedrijfjes. En zo ging het er ook in Vietri aan toe: je zag de winkelaars van de ene negozio naar de andere wandelen om de eigenaren te begroeten en een praatje te maken. Iedere dag opnieuw. Naast de groentenman die ons een speciaal soort broccoli verkoopt, zat een keramiekzaak waarvan de eigenaresse zich meteen met onze aankoop bemoeide. „Sono broccoli napoletani,” verklaarde ze. Degene die wij kennen, de bloemkoolachtige struik, kwam uit de Basilicata, nog zuidelijker. Het dikke accent dat de ’meridionali’, de zuiderlingen, spreken, intrigeerde me en ik begon een gesprekje met de pottenbakster, waarbij ik haar accent probeerde na te bootsen. De kunst was het om met een luie tong te praten, ongearticuleerd maar met veel passie, als een dronkenman die de medeklinkers niet meer kan vormen. Mijn poging viel in goede aarde en lachend zei de winkelierster dat de Napolitanen ’bonu’ zijn, ’buono’, goed volk, open en altijd bereid tot een praatje. Zij was nog goed te verstaan, maar veel van wat hier in dialect gebrabbeld werd, ging toch aan ons voorbij. Jammer. Of misschien toch niet. Zo zouden we het niet eens merken als iemand ons zou proberen af te persen. Camorra? Nooit van gehoord!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen