Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen

Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

En een derde deel! Nog Meer Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

maandag 12 oktober 2015

De huishoudster van koningin Juliana


„Kloetzakk,” zei Francesco opeens, boos over het rijgedrag van een stadsgenoot die vlak voor ons de weg op schoot. De ’parole brutte’, scheldwoorden, van een nieuwe taal leer je altijd het eerst en blijven het langst in het geheugen hangen. We waren op weg naar Antonietta, koosnaam ’Tetta’ (tiet!), de vrouw die vijftig jaar geleden tegelijk met Francesco in Nederland was, maar die er in tegenstelling tot hem tientallen jaren was gebleven. Ongetwijfeld had ze in die tijd Nederlands leren spreken en zou ze ons uit de eerste bron kunnen vertellen over haar ervaringen aan het Koninklijke Hof, want ze maakte destijds deel uit van het huishoudelijke personeel van Soestdijk! Waarschijnlijk had Juliana met kerst ook haar mok hoogstpersoonlijk met chocolademelk volgeschonken, zoals ze ieder jaar voor al haar personeel deed. In ieder geval was ze mee met Juliana wanneer die de Costa Smeralda bezocht, zo wist Francesco te vertellen. Daar moesten we meer van weten!  


Francesco zat naast Nico en wees de weg. Ondanks zijn kritiek op het roekeloze rijden van de andere verkeersdeelnemers had hij de veiligheidsgordel niet om, want „ze controleerden hier toch nooit”. Die ochtend was hij ons vanuit zijn boomgaard komen begroeten met een luid „Buongiorno!” In zijn hand had hij een envelop die een aantal foto's van vroeger bleek te bevatten. Thuis had hij nog eens goed gezocht en dan eindelijk toch die kiekjes uit 1965 teruggevonden. We waren erg nieuwsgierig en rukten hem de envelop bijkans uit handen. Zelf deed Francesco gemaakt nonchalant, maar het feit dat hij het steeds over die periode van zolang geleden had en zo zijn best deed om zich van alles te herinneren, maakte duidelijk dat het voor hem toch meer betekende dan hij wilde laten blijken.


Op de foto’s die hij lukraak op tafel strooide, alsof ze de moeite van het bekijken niet waard waren, was hij veel te zien met zijn Italiaanse collega’s: een groepsfoto met alle ouderwetse hutkoffers na aankomst (of voor vertrek?), dezelfde groep voor een (protestantse) kerkdienst die ze bijwoonden, Francesco met een of twee muzikale vrienden, alle met gitaar. Ook waren er een paar foto’s van zijn verblijf in het ziekenhuis, waar hij aan een breuk geopereerd was: een onschuldige jongeman, een jongen nog, in bed of met de verpleegsters naast hem in de vensterbank, hij in kamerjas, zij in kraakhelder witte verpleegsterkostuums. We zagen dat hij een heel knappe jongen was met een vriendelijk gezicht, die bij de Nederlandse meisjes ongetwijfeld goed in de smaak was gevallen.   



Of hij ook wel eens uit ging ’s avonds, wilden we van Francesco weten. Ja, natuurlijk, er was een bar in de buurt waar gedanst werd: ballroom vooral. Francesco vond de tango en mazurka het leukst. De kunst was het om meisjes van gelijke lengte te vinden, want met zo’n blonde reuzin kon je niks beginnen natuurlijk. Een keer was na middernacht de vriend van een van de meisjes dronken binnen komen stormen en had de Italiaanse danspartner van zijn meisje met een hamer een paar keer op zijn hoofd geslagen. „Oioioi, dat was een toestand,” zei Francesco. Hij was met zijn landgenoten gelijk weggegaan om de gemoederen niet verder te laten oplopen. Voor je het wist, werd je geboeid afgevoerd, en daarbij maakte hij het gebaar van twee samengevouwen handen, als in gebed. „Santa Maria, noemden we dat,” zei Francesco. Dat was een veel gebezigd begrip onder de Italiaanse jongens in die tijd, want ze merkten wel dat de politie extra veel op hen lette. Argwaan ten opzichte van vreemdelingen, het is van alle tijden. En Italianen, dat was in die tijd ’vreemd volk’. Een kleine tien jaar later waren de Turken aan de beurt, toen Polynorm in Turkije ging werven voor personeel.




De Italianen logeerden tijdens hun verblijf in Nederland in Hotel Duinhof in Soest, dat door het bedrijf Polynorm in zijn geheel voor zijn werknemers was afgehuurd. De eigenaresse had zo een vaste bezetting en weinig omkijken naar het hotel, wat goed uitkwam want ze was continu dronken. Het eten dat ze de fijnproevers uit het culinaire paradijs Italië voorschotelde, viel niet in de smaak. Tot pap gekookte spaghetti, bah. Francesco trok er nog een vies gezicht bij en maakte een wegwerpgebaar. Uiteindelijk hadden ze maar voorgesteld dat ze zelf hun pasta zouden koken, ook al betekende dat extra werk. Ook de minestrone van Nederlandse makelij beviel niet, het was dun water met nauwelijks groente. „Solo brodo!” zei Francesco en stak zijn tong in afgrijzen uit zijn mond. 


„Goetverdoemme!” Een auto stak zonder op te letten opeens van een parkeerplaats de weg op. We waren bijna bij het huis van Antonietta, ook wel Tiet genaamd. Francesco moest even goed kijken maar toen zag hij waar we wezen moesten. Haar fiets stond er niet, dat was een slecht teken want ze deed alles op de fiets. Een erfenis uit haar Hollandse periode? En inderdaad, er kwam geen reactie op de bel. Zo jammer! Dan maar naar een bar, besloot Francesco. „Rij maar naar het strand, naar de bar van Peppe.” Naar die bar had hij ons al de eerste dag gestuurd toen we hem vroegen waar we in de buurt konden lunchen. We stelden ons heel wat voor van Peppe, want als hij zo open en spraakzaam was als Francesco zelf ... Maar we kwamen bedrogen uit. De oudere man die met een jongere hulp de bar bediende, moest wel Peppe zijn, maar hij keek nors en sprak geen woord. Zijn mondhoeken wezen naar beneden, zijn lippen waren tot een smalle streep samengeperst. Vergeleken met zijn omvangrijke lijf, dat er door de slobberkleding die hij droeg als een hobbezak uitzag, leek zijn hoofd veel te klein. Een grauwe kers op een grote blubberige pudding. Verder liep hij niet maar schuifelde, op sloffen die hun beste tijd ook al hadden gehad. Nee, bij Peppe was er zo te zien het beste wel vanaf.


Toen we met Francesco aan een tafeltje in de bar gingen zitten, schoof Peppe geluidloos vanachter de toog tevoorschijn. Francesco begroette hem in dialect, waarop Peppe zowaar antwoordde, maar zonder dat er ook maar iets in zijn stuurse gezichtsuitdrukking veranderde. Zijn stem leek totaal niet bij zijn lijf te passen: waar we een sombere bas verwachtten, klonk tot onze verrassing een geknepen stemmetje, snerpend als een tandartsboor. Terwijl hij sprak, bleef zijn mond zo goed als gesloten. Hij leek ook in het geheel niet verrast, laat staan blij, dat hij Francesco zag, die hij toch al een tijd niet gezien moest hebben. Toen hij zich omdraaide en weg schuifelde om een flesje bier te gaan halen, boog Francesco zich naar ons en fluisterde met grote ogen dat hij schrok hoe dik Peppe geworden was. Zou hij soms ziek zijn? 


Peppe bracht een flesje dat we over drie glazen verdeelden. Mocht hij wel drinken? vroegen we aan Francesco, veinzend dat we niets wisten en dat zijn zus ons niet had ingelicht over zijn hartprobleem. „Jawel, een glaasje mocht wel, zo af en toe,” antwoordde hij. Even later bestelde hij een tweede fles. In de tussentijd praatte hij met Peppe over kennissen, het verleden, het laatste nieuws. Af en  toe vertaalde hij even iets voor ons. De bar had eerst verderop gestaan, iets verder van het strand, waar nu de parkeerplaats en rotonde aangelegd waren. Daar was hij ook geboren, begrepen wij. Stel je voor, dachten we, je hele leven blijf je op dezelfde plek en speelt zich af binnen een straal van enkele tientallen meters. Is dat een vloek of een zegen? Peppe was er zo te zien niet vrolijk van geworden. 

We gingen naar huis. Francesco verzamelde zijn foto’s en zei gedag. „Niet tegen mijn zus zeggen dat ik wat gedronken heb, hoor! Alleen een kopje koffie!” We glimlachten en zeiden dat we het begrepen. Francesco glimlachte terug en liep zijn boomgaard in.


woensdag 7 oktober 2015

Memories

 „Busta paga! Capisci?” Francesco stond opgewonden voor ons te gebaren om ons iets duidelijk te maken wat we niet begrepen. „Busta paga,” riep hij nog maar eens vertwijfeld. Dat begrip hoorden we wel vaker voorbij komen op de journaals van RaiUno en RaiTre en het had iets met werk en salaris te maken, dat wisten we wel. Maar onze kennis schoot tekort ten opzichte van wat Francesco ons wilde vertellen.


Al weken geleden vroeg Francesco tot vervelens toe aan zijn zus wanneer die ’Olandesi’ nu eindelijk eens kwamen. Degenen die zijn oude huisje gehuurd hadden voor een vakantie op Sardinië. Met wie hij over Nederland zou kunnen praten, het land waar hij 50 jaar geleden, in 1965, een jaar gewerkt had. En nu ze er eindelijk waren, stapte hij ook gelijk op ze, ons dus, af. Hij liep toch iedere dag door de grote achtertuin van het vakantiehuis, dat door zijn jonge neef helemaal opgeknapt was om het te kunnen verhuren. Die tuin was nog steeds zijn boomgaard en "orto", moestuin, en grensde aan de stal erachter waar hij een varken hield. In de tuin stond ook nog een kalf dat hij iedere dag verplaatste naar een nieuw stuk met vers gras. In zo’n tuin was elke dag wel wat te doen en iedere ochtend zagen we Francesco dan ook komen aanrijden in zijn oude Fiat Panda, het favoriete voertuig van de moderne landbouwer. Een koekblik op wielen.

„Buon giorno!” riep hij al meteen de eerste ochtend toen we er waren. Doodgemoedereerd stapte hij op ons af, verlegenheid kende hij niet. Hij was meer dan een kop kleiner dan wij en zijn gerimpelde huid was bruingebrand door het leven in de hier altijd schijnende zon. Maar zijn haar had hij nog en het glom ons gitzwart tegemoet. Hij leek ons een van die vele Italianen die gemakkelijk tot diep in de negentig zullen reiken voordat ze opeens, onverwacht, dood omvallen en door hun talrijke nazaten en nog taaiere generatiegenoten betreurd worden middels de zwartomrande overlijdensplakkaten op de publicatieborden in dorp en stad: „Geheel onverwacht uit ons midden weggerukt, op 98-jarige leeftijd ...” Maar nee, in dit geval was zijn blakende verschijning toch bedrieglijk, wisten we van zijn zus die ons eerder die ochtend ontvangen had. Ze kwam net met Francesco terug van het ziekenhuis, waar ze een TAC gemaakt hadden: een hartscan.

Francesco had een zwak hart, zei zijn zus met bezorgd gezicht. Vroeger zong hij zo mooi, mijmerde ze, maar toen was hij gaan roken en had hij zijn stem verpest. Zo jammer. Bovendien riepen zijn zussen en broers allemaal dat hij eens op moest houden met die liedjes uit de oude doos. „Wisten wij veel in die tijd, onbenullige jeugd die we waren. Nu zouden we hem die liedjes zo graag nog eens horen zingen!” „Nou misschien nodigen we hem wel een avondje bij ons,” riepen wij enthousiast. Ja, dat was wel een leuk idee, zei Francesco’s zus. Maar we moesten hem dan maar geen koffie of alcohol aanbieden want dat zou zijn hart geen goed doen en in nee zeggen was haar broer niet sterk. De verleiding van een borreltje zou hij maar moeilijk kunnen weerstaan.

Dat Francesco een levensgenieter was geweest (?), bleek ook uit zijn verhalen over de periode dat hij in Nederland had gewoond. Met een man of twintig uit Orosei, het plaatsje waar het vakantiehuisje stond, waren ze met een bus naar Nederland gebracht. In die tijd werkten er bij de metaalfabriek van Polynorm wel honderd Italianen, voor het merendeel uit Sardinië. Ze logeerden allemaal in een hotel in Soesterberg, een naam die hij nog goed wist uit te spreken. De klanken van ’Bunschoten’ bleken een grotere hobbel voor zijn verroeste Nederlands en die plaatsnaam begrepen we pas na veel herhaling van zijn en gokwerk van onze kant. „Soesterberg, waar de koningin woonde!” riepen we enthousiast. „Si, si,” dat wist Francesco ook nog. Sterker nog, een meisje uit Orosei was nog als huishoudster bij Juliana in dienst geweest! Misschien zouden we die eens moeten opzoeken voor wat smeuïge details over het koninklijke huishouden in die tijd!


Of Francesco ook een liefje had gehad, wilden wij weten, nieuwsgierig als altijd en geïnspireerd door de TV-programma’s ’Spoorloos’ en ’Memories’. Er verscheen een besmuikt lachje op Francesco’s gerimpelde gezicht. Nee, nee, hij had zich altijd keurig gedragen, beweerde hij en begon weer over de kwestie die hem echt interesseerde, de ’busta paga’. Pas na veel heen en weer gepraat begon ons te dagen waar hij het over had. Gedurende het jaar dat hij bij Polynorm gewerkt had, was er ook keurig pensioenpremie door het bedrijf afgedragen (het was geen Italiaans bedrijf, tenslotte). Maar terwijl zijn collega’s uit Orosei inmiddels allemaal een klein pensioentje ontvingen, kreeg Francesco niets. Domweg doordat hij het destijds bij zijn vertrek uit Nederland niet had aangevraagd. Nu wilde hij dat alsnog doen maar daarvoor had hij een bewijs nodig, een bewijs dat hij bij Polynorm gewerkt had en dat de premie was ingehouden. Een loonstrookje dus, ofwel een ’busta paga’. En dat kon hij verdraaid nog aan toe toch echt niet meer vinden in zijn spullen uit die tijd! Francesco keek er pijnlijk bij en zuchtte: „Perché non me lo danno, perché?” We konden niet een twee drie bedenken hoe we zouden kunnen helpen en haalden onze schouders op.


Om een vrolijker onderwerp aan te snijden, vroegen we maar eens naar zijn vrijetijdsbesteding in Nederland, ’s avonds en in de weekenden. Francesco ontwaakte meteen uit zijn gesomber en in zijn ogen begon het te twinkelen. Ze gingen vaak met zijn allen naar het zwembad en daar kregen ze met hun gebruinde, slanke lijven, donkere ogen en dito haren alle aandacht van de Nederlandse meisjes, die wel eens wat anders wilden dan gebruikelijke blonde, bleke kaaskoppen. En het flirten zit de Italiaanse man in de genen, daar kan hij niets aan doen, Italië is nu eenmaal het land waar de liefde (’Amore’ ... het woord alleen al!) is uitgevonden. Dus er gebeurde wel eens wat, ja, dat kon hij niet ontkennen. Er ontstonden relaties voor de duur dat ze daar in het koude kikkerland woonden, hoe kon het anders. Jongens alleen, ver van huis in een land waar de zon nooit schijnt, die zoeken een beetje geborgenheid en troost. En liefde.

Francesco verzonk even in gedachten. „En jij dan, vroegen we, had jij geen liefje?” We konden het ons niet voorstellen want charmant was hij nog steeds, ondanks zijn meer dan zeventig romantische lentes tellende leeftijd. Misschien had hij zijn hart wel in de liefde versleten? „Joke,” fluisterde Francesco opeens, „ze heette Joke.” Daar had hij wel een tijdje mee gescharreld, begrepen we uit zijn omzichtige bewoordingen. Ja, dat was een leuk meisje. Nadat hij naar Italie was teruggekeerd, had hij nog zeker acht jaar lang overwogen om definitief naar Nederland te verhuizen, zuchtte hij. Om Joke? vroegen wij ons af zonder het hem te durven vragen. Ook de Nederlandse directheid kent zijn grenzen als het té precaire zaken betreft. Maar hij had het niet gedaan en was 38 jaar lang in de groente- en fruithandel blijven steken. En nu had hij ook nog eens geen pensioen door die onvindbare ’busta paga’.


Joke. Haar achternaam wist hij helaas niet meer. Zei hij. Maar wie weet kunnen we die nog uit hem lospeuteren in een volgend praatje, zodat we ’Memories’ kunnen tippen. ’Onze’ Francesco op de Nederlandse TV, dat zou wat zijn! Wie weet lukt het. We hebben nog een paar dagen. Toch maar een borrelavond organiseren?