Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

En een derde deel! Nog Meer Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

dinsdag 6 februari 2018

Little Italy - Com’è piccola Italia!

Mariarosa en Elena stonden me al breedlachend op te wachten bij onze stand op de Little Italy beurs in Amsterdam. Waren ze echt zo blij mij te zien? Ze zaten zelfs een beetje naar elkaar te grinniken als twee bakvissen die met hun schoolmeester wilden gaan flirten maar het niet echt durfden. Nu is Mariarosa altijd al een niet te stuiten tornado die constant aan het woord is, ideeën oppert en opdrachten uitdeelt (Vai! Vai! Aan de slag!) maar Elena is meestal bedachtzamer. Er moest dus wel iets bijzonders aan de hand zijn. Later vertelde Tommy, de enige man in het Italiaanse gezelschap (hij noemde het quasi-zuchtend een femminocrazia), dat hij ook had gemerkt dat er iets aan de hand was met de twee dames. Tommy had een eigen kamer in het Holiday Inn vlak bij het Westergasfabriek-terrein waar de beurs plaatsvond en die kamer lag naast die van Mariarosa en Elena. Gister om kwart voor een ’s nachts hoorde hij opeens gegiechel in de kamer van zijn collega’s. Wat zijn die twee midden in de nacht nog aan het doen dat zo leuk is, vroeg hij zich af. ’s Ochtends had hij het ze gevraagd, beschroomd want als een echte Italiaan vond hij de vraag wel erg brutaal, en hadden Elena en Mariarosa het hem proestend van het lachen verteld.

Een aantal weken geleden had ik Mariarosa op haar verzoek een pdf-bestand met de Engelse vertaling van mijn boek ’Italiaanse Toestanden’ toegestuurd. Aan lezen was ze uiteraard niet toegekomen want haar dagen (en nachten?) raken altijd vanzelf gevuld met nieuwe ideeën, opdrachten, contacten etc. De kleine tornado, die haast wel een dubbelgangster van Sylvia de Leur leek, rust nooit. Tommy vertelde ons dat Mariarosa eens per maand naar de kapper direct naast het kantoor ging en van daaruit vrolijk verder ging met appen en posten op Facebook, Instagram etc. Eenmaal werd hij zelfs door haar opgeroepen even langs te komen voor een idee, zaak, klusje of iets dergelijks en trof hij haar vol in de haarshampoo bij de kapper aan, mobiel in haar hand. Omdat het haar dus met geen mogelijkheid lukte aan mijn boek te beginnen, had Mariarosa de pdf-file daarom maar naar Elena doorgestuurd. Opdracht: Lezen! Vai!

Gisteravond besloot Elena dat ze ondanks de vermoeidheid van de eerste beursdag toch minstens een hoofdstuk van het boek gelezen wilde hebben (gelukkig zijn de hoofdstukken kort). Maar ze kwam niet verder dan een paar alinea’s, tot het moment dat ze de naam van onze vermaledijde makelaar Olita voor het eerst tegenkwam. Neeeeee, dacht ze, het is niet waar! Ze vertelde het meteen aan Mariarosa die rechtovereind schoot. Wat? Olita, komt die kl...z.k in het boek voor? En toen begonnen ze dus allebei te lachen, wat Tommy in de kamer ernaast hoorde. Het bleek, zo vertelden ze mij nu, staand voor de balie, dat zij met hun reisorganisatie ook met Olita van doen hadden gehad. Met dezelfde negatieve ervaringen. „Un ignorante!” riep Mariarosa fel. „Maar van welk kasteel wist hij de naam nou niet?” vroegen de dames mij, refererend aan de passage in mijn boek waarin ik beschrijf dat we met Olita voor het eerst de Oltrepò bezochten en hij ons niet kon vertellen hoe het niet te missen kasteel heette. „Cigognola,” zei ik. „Nooooo,” riepen Elena en Mariarosa in koor. „Non è possibile!” Maar het was toch echt waargebeurd. Wat een coincidenza, toeval, dat we allebei met die sukkel te maken hadden gekregen.

Om hun leespret niet te bederven, vertelde ik hun verder niets maar zei alleen dat het ergste met Olita nog moest komen. Bij deze toevallige gezamenlijke ’kennis’ bleef het echter niet want de volgende dag kwamen we er achter dat ze ook de fameuze makelaar Necchi kenden die het huis in de verkoop had dat Cora en Marco wilden maar van hem niet mochten kopen! De ex van Mariarosa was notaris en kende daardoor vrijwel alle makelaars de streek. „Die Necchi is nog erger,” verklaarde Mariarosa. „Dat is een arrogante!” Over Necchi vertelde ik hun iets meer in detail, want die verhalen komen pas in deel 4 van mijn Italiaanse Toestanden. (Deel 4? Wanneer? Waar? Hoe? hoor ik u denken. Nog even geduld!) En daarmee waren de coincidenze nóg niet uitgeput want het bleek dat de reisorganisatie die Mariarosa bestierde ook cultuurtrips naar Engeland voor middelbare scholen verzorgt en begeleidt. Maar mijn vaste pilatescollega Cecilia reisde als docente biologie toch ook eens per schooljaar met haar klas naar Engeland? dacht ik. En ja hoor, „La nostra Cecilia!” riepen Mariarosa, Elena én Tommy in koor. „Che coincidenza!

Mede door deze gebeurtenissen raakten wij Due Padroni steeds meer met onze Italiaanse collega’s vertrouwd en begonnen we ook mee te doen met de plaagstoten die zij elkaar toedienden. Dat had ook zijn nadelen. Toen we na een lange beursdag in een café aan de bitterballen zaten (vonden ze lekker, die Italiaantjes) was Marierosa als enige nog niet uitgeraasd. Ze was al bezig met een blogje van de dag en vroeg mij of ik de tekst in het Nederlands kon vertalen. „Tuurlijk,” zei ik, nietsvermoedend, want morgen had ik vast wel weer energie. Een halve minuut later hoorde ik ’pling’ op mijn telefoon en direct daarop een hoog vrouwenstemmetje dat „Vai!” zei. „Aan de slag!” Wat? Nu? Meteen? Ik keek Tommy, die vlak naast mij zat, meewarig aan en fluisterde hem, nog net verstaanbaar voor Mariarosa, toe: „Maar wat betekent ’vai’ eigenlijk in het Italiaans? Is het toevallig ’beste vriend, zou je alsjeblieft als je even tijd hebt dit en dat voor mij willen doen?’?” Tommy knikte, glimlachte en zei: „Eh, te l’ho detto. Femminocrazia.

woensdag 31 januari 2018

Bulldozerkip of scharrelmachine?

Giuseppe stond van een afstand te gebaren. Hij beeldde een fles uit. Uiteraard wilden wij graag wijn bij het eten! De vraag die meer gerechtvaardigd zou zijn, was of we eten wilden bij de wijn ;-). Maar nee, natuurlijk aten we graag een pizza hier bij Osteria La Versa, een van de betere adressen voor dit meest Italiaanse van alle Italiaanse gerechten. Giuseppe bedoelde dit echter allemaal niet. Hij wilde weten of we weer dezelfde wijn wilden die we de laatste keren steeds genomen hadden. En dat wilden we want die rode Bonarda was ons erg goed bevallen.

Jarenlang (zijn het echt al jaren? Even terugrekenen: ja, het zijn al jaren, il tempo corre) schonk Giuseppe, de sympathieke cameriere van de osteria ons iedere keer als we er kwamen een andere rode wijn. Wel steeds de bruisende boeren-Bonardawijn maar telkens van een ander wijnbedrijf. De resultaten waren wisselend, meestal was de wijn gewoon lekker, soms zat er een tussen die te scherp, wrang, zuur of bitter was. Giuseppe had nog jaren door kunnen gaan met deze voorstelling (er zijn honderden wijnmakers in de Oltrepò) ware het niet dat hij een paar maanden geleden midden in de rode roos schoot. Alleen al de kleur van de Bonarda die hij toen uitschonk, was onweerstaanbaar. Een diep-purperen, bijna zwarte bruiswijn vulde gulzig onze glazen. Die moest wel lekker zijn, dachten wij meteen. En dus was hij lekker, want de weg naar de maag van de echte enonauta gaat via het oog.

Wij knikten dus enthousiast van ja op Giuseppe’s gebarentaal. Graag die Bonarda van Cantina Fratelli Agnes weer! De cantina kenden we al veel langer, ook vanwege de op ons ietwat vreemd overkomende naam (de broers Agnes?), maar op deze bonarda had Giuseppe ons dus attent gemaakt. Campo del Monte heette hij. We moesten maar eens bij het wijnbedrijf langsgaan om een paar doosjes in te slaan, dachten we iedere keer, om het vervolgens niet te doen. Osteria La Versa was altijd dichterbij en lag (gevaarlijk!) op de route naar het dorpje Rovescala waar de gebroeders Agnes hun lekkere Bonarda produceerden. Een goede plek dat Rovescala want het is het oudste wijnproducerende dorp van de streek met de vroegste schriftelijke getuigenis uit 1192.

Het belangrijkste, de wijn, was geregeld. Wat bracht ons de menukaart? Sinds een week of zo was die vernieuwd en we zagen dat er gerechten op stonden die we nog niet eerder gezien hadden. En doordat namen van gerechten in een vreemde taal de moeilijkst te leren dingen zijn, voelden we ons weer even beginners in het Italiaans. Wat was bijvoorbeeld gallinella ruspante? Het was vast een kipachtige, maar ruspante? Een ruspa was een bulldozer, dat wisten we nog uit de tijd dat onze aannemer Torti (still going strong, 81 jaar inmiddels) ermee over onze parkeerplaats en door onze tuin tekeerging. Dus bood het menu uitzicht op een ... bulldozerkip? De Italiaanse variant van een plofkip? Dat nooit! We vroegen raad aan Giuseppe.


Het was duidelijk de avond van de gebarentaal want ook nu wist Giuseppe niet beter dan wat handbewegingen te maken om het ons uit te leggen. Het ging inderdaad om een kip maar wat beeldde zijn hand uit? Die scharrelde maar wat heen en weer over een denkbeeldig terrein. Scharrelen? Scharrelkip, dat was het natuurlijk! Precies het tegenovergestelde van een plofkip. Maar dan was een bulldozer dus een scharrelmachine? Zou je niet zeggen als je destijds het resultaat van Torti’s gescharrel zag. In Italië hadden ze dus ook scharrelkippen. Weer iets geleerd. Maar wat zou een plofkip in het Italiaans zijn? Pollo gonfiabile? Pollo bum? Wie weet het?

PS
Ik ontdekte dat er ook maschi ruspanti bestaan, scharrelmannen! Begin jaren '70 is er een Italiaanse film over gemaakt. Toch maar eens beter om me heenkijken hier. Of geeft u de voorkeur aan een bulldozerman die met gespierde armen de stuurknuppels van het stoere graafapparaat bedient?


maandag 8 januari 2018

Forza Milan


Roberto is een echte fan van AC Milaan, ’il Milan’, zoals hij de club noemt. Het voormalige speeltje van Silvio Berlusconi (het is sinds vorig jaar in schimmige Chinese handen) aanbidt hij al van ruim voor de tijd van Gullit en Van Basten. Sinds ik weet hoe fanatiek hij is, tegen de stroom in want de club maakt de laatste jaren niet veel meer klaar, stuur ik hem wekelijks een appje met een tekstformat dat luidt: „Forza [komende tegenstander van AC Milaan]” Gewoon, omdat ik een plaagstootje uitdelen leuk vind. Meestal krijg ik een emoji terug: een opgestoken middelvinger. En sinds kort zelfs een foto van zijn eigen middelvinger: het dik in het verband zittende ledemaat dat hij er onlangs bijna afgezaagd heeft. Een andere favoriete treiteractie van mij is om Roberto eraan te herinneren dat AC Milaan nu communistisch is (zelf stemt hij altijd op Berlusconi).


Toen Nico een tijdje terug vertelde dat hij wel altijd naar de samenvattingen van het Nederlandse voetbal keek maar nog nooit een wedstrijd echt had bijgewoond, zag Roberto zijn kans schoon. Zelf was hij al twintig jaar niet meer naar het stadion geweest (het huwelijksleven vraagt soms zware offers) terwijl hij toch vroeger een van de echte tifosi, supporters was. „We moeten samen een keer gaan,” riep Roberto enthousiast, „Andiamo?” Het leek ons wel leuk en een dag of wat geleden bestelden we samen via internet kaartjes voor de wedstrijd AC Milaan - Crotone. Tot hilariteit van Roberto had Nico recht op ouwelullenkorting: diens kaartje kostte 20€ terwijl wij, jongeren, maar liefst 35€ moesten neertellen. Opgewekt ging Roberto naar huis, ook omdat AC Milaan van de laaggeklasseerde (mafia?)club uit Calabrië zeker zou gaan winnen. Hij zat nog niet in zijn fauteuil of tingeling daar was mijn appje al: „Forza Crotone!” Middelvinger terug.


Gisteren was het zover: we gingen echt voetbal kijken! Live! Al,vivo! Roberto was extra blij want de sfeer thuis was, zacht uitgedrukt, niet optimaal. Ondanks herhaalde bezweringen harerzijds dat ze geen nieuwe mobiele telefoon als kerstcadeau wilde, had Roberto er toch een voor Antonica besteld. En die had hij haar juist gisteren pas kunnen geven doordat de bezorging door Amazon was misgegaan en hij dus dertig dagen had moeten wachten. Een verlaat kerstcadeau dus, maar Antonica was furieus dat hij dus toch een mobiel besteld had en weigerde het geschenk aan te pakken. Ze was laaiend dat Roberto toch tegen haar zin had gehandeld. „Quando si arrabbia diventa una furia. Als ze zich boos maakt, wordt ze een furie,” verzuchtte Roberto. Hij weet het aan Antonica’s Sardijnse temperament. Een uitstapje naar Milaan was dus een niet onwelkom excuus om even het huis te ontvluchten.

Oorspronkelijk wilde Roberto al om elf uur ’s ochtends willen vertrekken maar dat hadden we weten te verschuiven naar twaalf uur. De wedstrijd begon om drie uur en hoewel we natuurlijk wel wat tijd wilden hebben om voor de wedstrijd wat rond te kijken, leek het ons niet nodig om er uren van te voren al te zijn. Waarom wilde Roberto zo vroeg op pad? Was hij voor zijn eerste bezoek in twintig jaar warempel zenuwachtig, zo nerveus als de eerste beste ragazzino, jongen die met pappa mee mag naar het grote stadion? Hij zou het nooit toegeven, maar hij rookte wel opvallend veel sigaretten onderweg terwijl hij die ochtend nog had beweerd dat hij veel minder rookte. Uiteraard kon ik het niet laten om hem in de auto te bestoken met prikkelende opmerkingen over het slechte presteren van zijn lijfclub. Hoelang zou de met veel bombarie binnengehaalde ex-international Gattuso het als trainer volhouden? Misschien zou hij na de (onvermijdelijke) nederlaag van vanmiddag zijn biezen al mogen pakken, als achtste trainer in drie jaar? En hadden we niet beter een week later kunnen gaan, want dan speelde Inter Milaan als medegebruiker van het stadion thuis? Dan zagen we tenminste goed voetbal. „Vai a cagare!” bromde Roberto.


Nog ruim voor twee uur waren we al bij het stadion. We passeerden een ongelooflijk aantal controles (nog meer dan op een vliegveld) en belandden op een plein met een onafzienbare colonne eet- en souvenirkramen. We aten een broodje (focaccia, piadina) en kochten twee waterflesjes. Die laatsten mochten alleen zonder dop het stadion in, zo bleek bij alweer een controle, want anders zou je zo’n flesje als projectiel kunnen gebruiken. Aan alles leek, waarschijnlijk na schade en schande, gedacht! We kochten ook twee AC Milaan shawls, ter camouflage. Zo opportunistisch zijn we wel. „Forza Crotone,” riep ik richting Roberto terwijl ik de shawl voor mijn mond hield. „Non esci vivo, je komt hier niet levend uit,” lachte de diehard Milan-fan.


Het stadion zag er van buiten imposant uit maar toen we naar boven klommen om de tweede ring te bereiken, zag ik overal slordige bundels onbeschermde elektriciteitsdraden liggen. Hoe komen we weg als er brand uitbreekt? dacht ik angstig. Een brandplan met nooduitgangen zag ik niet, brandblussers evenmin. En terwijl je in elk Italiaans theater struikelt over de vigili del fuoco, was hier geen brandweer te bekennen. Gelukkig regende het al de hele dag! We hadden zitplaatsen met mooi zicht maar het was wel erg krap bemeten. Gelukkig dat het stadion niet uitverkocht was, anders zou ik er wel een beetje claustrofobisch van zijn geworden. Roberto maakte het niet uit, hij had kippenvel gekregen bij de aanblik van het speelveld en de tribunes met tifosi. Overal hingen spandoeken van de fans uit Turijn, Bologna etc. Er was ook een vak met een spandoek met de tekst „Berlusconi” maar gek genoeg (?) zat daar niemand, zag ik, een  observatie waar ik Roberto fijntjes op wees. „Mwah,” was zijn nonchalante reactie. Hij maakte zich drukker om de wedstrijd.



Vanaf onze positie zag het veld er veel kleiner uit dan het op tv altijd leek. Maar paradoxaal genoeg maakte het nog steeds een vrij lege indruk toen de tweeëntwintig spelers erop stonden. En bij een uittrap van de keeper gingen ze ook nog eens met zijn allen op een kluitje staan, een heel raar gezicht! Je zag nu wel heel goed dat voetbal echt een positiespel is: voetbal is helemaal geen oorlog maar schaken. Wat ging het trouwens langzaam, het leek wel slow-motion. Wat niet wegnam dat je regelmatig iets miste: waarom lag die speler opeens op de grond? Wat was er gebeurd? Niet gezien. En uiteraard: geen herhalingen! Tot grote frustratie van Roberto werden er twee goals van AC Milaan afgekeurd, volgens hem onterecht natuurlijk, maar wij hadden geen idee waarom. Dat Roberto fanatiek was en meer gespannen dan hij wilde toegeven, bleek uit zijn reactie op de scheidsrechter bij ’foute’ beslissingen. Hij schreeuwde hard mee met de hele tribune van Milanisti. Ook de aanwezige kinderen leefden volop mee: bij elke aanval van Milaan hoorde je de hoge stemmetjes „Dai! Dai! Kom op! Kom op!” gillen.


Milaan won, dus trainer Gattuso mag nog even blijven. En Roberto was tevreden. Ze hadden niet slecht gevoetbald volgens hem. Milaan steeg weer een paar plaatsje op de ranglijst maar kwalificatie voor de Champions League zat er waarschijnlijk weer niet in. Thuis stapte Roberto zuchtend uit: hij moest de confrontatie met zijn temperamentvolle echtgenote weer aan. Ik zocht thuis gelijk even op wat de volgende tegenstander van AC Milaan zou zijn. Cagliari, Sardinië! Tingeling, „Forza Cagliari!” Tingeling, „Vai a cagare!”

Meer leuke verhalen lezen? Koop "Italiaanse Toestanden" deel 1,2 én 3! 
Zie http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it
 




http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it

dinsdag 2 januari 2018

Camminata

Sinds kort heeft de gemeente Montecalvo Versiggia een officiële wandelkaart! Niet op haar moderne website (daar staat nog gewoon de oude meuk) maar op heuse, grote panelen die op verschillende plekken zijn neergezet. Vlakbij ons staat ook zo’n bord met wandelroutes en ik enkele routes kwamen mij bekend voor: die hadden wij zelf ontwikkeld toen we hier kwamen wonen. Heeft de gemeente die van onze website ’geleend’? Ach nou ja, wat maakt het uit. Gister op de eerste dag van 2018 was het zulk heerlijk fris en zonnig weer dat ik besloot om maar eens van de wandelingen te gaan maken. Joia ging, al dan niet vrijwillig, mee. Niet een van de onze maar nummer 11, de langste die helemaal naar Frazione Crocetta, het centrum van Montecalvo leidt en vandaar over Bagarello terug gaat. Waar begon ik aan? Gelukkig had ik mijn mobieltje bij me en zou ik de hulptroepen thuis kunnen laten aanrukken als ik halverwege mocht instorten. Maar dat gebeurde niet. Pas thuis, na tweeënhalf uur, kwam ik erachter, door de route in te voeren op de GPSies.com website, dat ik 10,77 km gelopen had!


Het was de moeite meer dan waard. Je ademt flink wat frisse lucht in (op de heenweg zijn mij welgeteld twee! auto’s gepasseerd), het zonnetje warmt je gezicht en het hondje trekt je de berm en de sloot in ... De hele route liep Joia met haar neus op de grond om alle geuren op te snuiven. Net een harige stofzuiger. Ik genoot van de prachtige vergezichten en betreurde de schade die de zware ijzel van een week of wat geleden had aangericht: afgebroken takken, ingestorte struiken. Heerlijk. En er zijn nog tien andere routes! Voor wie in alle rust relaxed wil wandelen in een prachtige omgeving: kom naar Villa I Due Padroni!

De hier beschreven route staat samen met verschillende andere op GPSies.com.


zaterdag 30 september 2017

Trekkrs kieken


„Vraag ’s wat-ie aan ’t doen is,” zei Errit tegen mij. Hij zat al een tijdje vol afgrijzen te kijken hoe Alessandro met een rubberen afsluitring aan het prutsen was. Met een schaartje probeerde hij er een randje af te knippen, terwijl hij ondertussen doorging met praten. In het Italiaans, waar Errit niks van verstond. „Che cosa stai faccendo,” vroeg ik snel toen Alessandro’s spraakwaterval even stil viel. „Mettere a posto questo,” was het antwoord, „dit passend maken.” Hij pakte er een stalen cilinder bij en duwde de rubberen ring er in. Dat ging niet eenvoudig want de ring deed zijn best om zich weer uit de cilinder te werken: hij kronkelde als een weerspannige slang en als Alessandro hem er aan een kant indrukte, floepte de ring er aan de andere kant weer uit. De ring was een maatje te groot voor de cilinder maar dat scheen Alessandro niet te hinderen. Hij knipte alleen de dikte van de ring op maat. Errit begreep er niks van. Toen we later naar huis reden kon hij er niet over uit: „Die afsluitring houdt het maar een paar dagen uit. Dan gaat het weer lekken en kun je opnieuw beginnen. Wat n gepruts! Echt weer op z’n Italiaans.”

Alessandro was de eigenaar van een garage die zich specialiseerde in het renoveren van oude tractoren. De garage en het terrein eromheen waren één grote uitdragerij van halfverroeste trekkers, onderdelen, gereedschappen, afval en allerlei ondefinieerbaar spul. We hadden er vanochtend een afspraak met Alessandro, om 11 uur en dus kwam deze om half 12 aanrijden. Waarna hij nog een kwartier verdween om ’zijn auto weg te zetten’. Errit scharrelde in de tussentijd wat rond over het terrein en kon zijn ogen niet geloven: „Dat bestaat toch niet, zo’n puinhoop! Moet je die tractoren zien, over een paar jaar is er niets mee van over. Zonde! Weet je wel wat die dingen waard zijn?”

Nee, dat wist ik niet want ik was geen tractorfetisjist zoals Errit en was vanochtend alleen maar meegekomen om te vertalen. Veel stelde dat vertalen trouwens niet voor want het ging voornamelijk over de verschillende modellen van het Italiaanse merk Same waar Errit een verzamelaar van was. Het ’vertalen’ kwam vooral neer op het omzetten van Italiaanse nummers in Nederlandse aangezien de antieke Same tractoren zulke spannende namen hadden als 4R10, DA25 en 450. Errit had al 21 van die tractoren thuis maar er waren nog wel modellen die hij er graag aan toe zou willen voegen. Bovendien kon hij altijd onderdelen gebruiken voor de tractoren die hij nog aan het renoveren was. En wat lag er hier veel voor ’t grijpen! Aan de zijkant van het terrein bevond zich wat voor een leek zoals ik niet meer dan een enorme berg oud ijzer was, maar waar Errit verlekkerd naar keek.
Hij klom erbovenop en trok van alles tevoorschijn. „Moej kiekn man! Hier ligt gotver een hele vooras! Zomoar te verroestn! Terwijl ik het zo goed kan gebruukn!” Maar Alessandro wilde niets verkopen. Errit begreep er niks van. Dit spul lag er zo te zien al jaren en zou er vast nog jaren blijven liggen. Als je er niks mee doet, verkoop ’t dan, vond hij. Met de moed der wanhoop bleef Errit over het terrein rondlopen waarbij hij steeds dingen aanwees en een vragende blik richting Alessandro wierp die, glimlachend, geen krimp gaf.

Maar Errit had een troef die hij kon uitspelen. Eerst liet hij Alessandro foto’s en een video zien van de grote bijeenkomst van Same verzamelaars (verSamelaars) die ieder jaar in Nederland en België gehouden wordt. Foto’s van een grote hal met tientallen prachtig gerestaureerde rood, groen en oranje glimmende Same’s. Toen hij dat zag spatten de liefdesvonkjes uit Alessandro’s ogen. Zo, nu weet hij tenminste dat hij met een serieuze liefhebber van doen heeft, dacht Errit. Dan wordt hij vast wel wat toeschietelijker. De laatste foto die Errit Alessandro liet zien was van een van zijn eigen tractoren. In plaats van het gebruikelijke hardstalen zitje zag je daar een mooi kunstleren kuipje met de naam Same erop gedrukt. Alessandro boog zich voorover om het goed te kunnen zien en zat met zijn neus bijna tegen het scherm van Errits mobieltje geplakt. Errit glunderde. „Ja, wat vinje doarvan? Mooi?” vroeg hij, ten overvloede want dat Alessandro het mooi vond was wel duidelijk. „Bello?” vertaalde ik toch maar. „Sì, sì,” aarzelde Alessandro, „ma che cos’è?” „Hoe kom je daaraan?” vertaalde ik vrij wat want het was, dat was wel duidelijk. „Zelfgemaakt,” zei Errit, „kommoar kiekn. Ik heb er nog een achterin d’auto.” en hij liep weg terwijl hij ons meewenkte.

In de vrijwel lege laadruimte van Errits busje stond iets wat op een versleten kinderzitje leek. „Hij is nog niet af,” verklaarde Errit. Hij legde uit dat hij de zitjes zelf in elkaar knutselde, van schuimrubber, op maat want op elk type Same tractor (4R10, DA25, 450 etc) zat weer een ander zitje. Alessandro bleek zeer geïnteresseerd. Of hij deze kon kopen. Ja dat kon. Voor 60€ was deze voor hem. Deal! „Kijk,” zei Errit, „zo maak ik hem een beetje lekker. Dan gunt hij me straks misschien toch nog iets.” Hij ging weer even verder rondstruinen. Alessandro keek geamuseerd toe maar gaf geen krimp. Bij een blauw, roestig exemplaar keek Errit hem weer met een vragende blik aan. Nee? Nee, zeiden Alessandro’s donkere Italiaanse ogen. Maar wacht, kon Errit voor deze tractor niet zo’n zitje maken? vroeg hij. „Tuurlijk,” zei Errit, „moar dan mot ik wel eevn de moatn weetn.” Alessandro ging op zoek naar een rolmaat of duimstok. Ergens in de garage moest die toch te vinden zijn? Na braaf tien minuten gewacht te hebben, gingen we kijken waar hij bleef. In de garage bleek Alessandro niet op zoek naar rolmaat of duimstok maar stond hij doodgemoedereerd te kletsen met een familielid/werknemer en een toevallige passant zonder duidelijke business. Hij zat ook weer aan de afsluitring van de cilinder te prutsen. Het stoeltje was alweer uit beeld verdwenen. Errit en ik keken elkaar aan en haalden onze schouders op: Italianen ...

Uiteindelijk ging Errit geheel onverwacht toch nog met iets leuks naar huis. Hij had iets vreemds gezien bij een van de roestige tractoren buiten. Een soort ijzeren raderen die aan de buitenkant van de wielen gemonteerd waren. Wat was daar de bedoeling van? „Per le risaie,” legde Alessandro uit, „voor in de rijstvelden.” Hij liet zien dat vanuit die raderen een soort tanden naar buiten kon vouwen die dan om de tractorbanden kwamen te zitten. Zo had deze in de natte glibberige rijstvelden meer grip. „Die moet ik hebben,” riep Errit meteen enthousiast, „zoiets heeft niemand in Nederland!” En warempel, dat kon, zei Alessandro. Voor 200€ kon hij er wel een stel voor hem op de kop tikken. Eindelijk beet! Als een kind zo blij reed Errit een half uur later, na nog veel meer geklets over tractoren en het verschil tussen de landbouw in Italië en Nederland, met mij terug. Hij glunderde helemaal. „Ze weetn straks niet wat ze zeen,” zei hij. Ik zag hem in mijn verbeelding al trots als een prins op zo’n bijeenkomst van Same liefhebbers rondrijden op zijn mooiste tractor. Met rijstwielen. Mij best, leuk voor hem maar ik had voorlopig genoeg van die trattori en hongerde naar echt Italiaans voedsel. „Even lunchen?” vroeg Errit. „Mij best, als het maar niet bij een trattoria is!”







zondag 13 augustus 2017

Rallentare



Al in de Valle Scuropasso zat ze voor me, de grijze dame in de Italiaanse truttenschudder bij uitstek, de Fiat Panda. Dat ik ook zo’n auto heb, is een heel andere zaak natuurlijk want ik houd wel van doorrijden. Zij niet. Ze sukkelde vooruit en inhalen was op de bochtige weg geen optie. Na een paar kilometer naderden we wegwerkzaamheden. Nou ja, werkzaamheden: iemand was vlak langs de weg wat aan het graven. Mevrouw remde desalniettemin af. We krópen er voorbij. Maar gek genoeg kreeg mijn voorligster daarna opeens zin in het gaspedaal, schoot vooruit en sneed de volgende bocht af. Oeps, tegenligger. Met een ruk aan het stuur, ja ze is nog kwiek!, wist ze een frontale botsing net te vermijden. Van schrik remde ze daarna weer fors af. Rallentare heet dat op zijn Italiaans: waarom denk ik toch altijd dat rallentare versnellen betekent?

We waren ondanks de slakkengang toch bijna in Broni, waar ik weer eens naar het postkantoor moest. Bij elke afslag verwachtte ik dat ik van mijn trage plaaggeest verlost zou worden. Maar nee, ze nam steeds de weg die ik ook in de planning had. Ze zou toch niet ook? dacht ik. Welnee, dat zou wel heel toevallig zijn. Inmiddels was ik bijna bij ’mijn’ afslag en schakelde ik, heel on-Italiaans, de linker freccia, richtingaanwijzer, in. Gelukkig, zij niet. Maar wat was dat? Ze sloeg zomaar opeens af naar links! Zonder freccia, ik had het kunnen weten. En welja, mevrouw parkeerde ook nog op de invalidenparkeerplaats recht voor de deur van het postkantoor. Niet te geloven. Ik passeer (eindelijk, maar net nu ik het niet wil) en moet nog een heel eind rijden om een krap plekje voor mijn Pandaatje te vinden. Terwijl ik terugloop, zie ik het oude grijsje toch nog tamelijk kwiek naar de ingang van het postkantoor lopen. Hoezo gehandicapt? Ook dat had ik kunnen weten want bij de supermarkt zijn de zo handig dicht bij de ingang gelegen invalide-parkeerplaatsen ook altijd bezet, terwijl ik in de winkel zelf zelden een gehandicapte medemens tegenkom. Op Sicilië schijnt zelfs tweederde van de bevolking een gehandicaptenparkeervergunning te hebben.

Eenmaal binnen in het postkantoor zie ik hoe mevrouw de pseudo-invalida na enige aarzeling een nummertje uit de elektronische console weet te lokken: 102. Ik ben weer, nog steeds, direct na haar en heb 103. Dat lijkt hoog maar op het elektronische bord zie ik dat nummer 100 al voor een van de zes loketten staat. Een paar minuten later gaat het ’pling’ en knippert nummer 101 op het bord. Ik volg de bewegingen van mijn invalide concurrent al de hele tijd en zie tot mijn verbazing dat ze opstaat en zich alvast naar het loket van nr 101 beweegt om op tijd te zijn als nummer 102 wordt opgepiept. Denkfoutje, besef ik malicieus, want het loket waar ze nu staat te wachten heeft de kleinste kans van alle loketten om nummer 102 te gaan bedienen. En inderdaad, niet veel later gaat het weer ’pling’ en knippert 102 op het bord, voor het loket helemaal aan de andere kant. Maar mijn voorgangster heeft niets in de gaten. Moet ik haar waarschuwen? Of niet? Voordat ik deze morele knoop heb doorgehakt hoor ik alweer ’pling’ en verschijnt mijn nummer op het bord. Ik mag naar het loket waar net nog nummer 102 terecht kon, die niet kwam opdagen. Yes! denk ik, heb ik haar toch nog ingehaald, haha. Ik sta bij het loket en haal mijn enveloppen uit mijn tas.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat er iemand naast mij is komen staan. „Scusa, ma avevo numero 102!” zegt een krakerig stemmetje. Het is mijn plaaggeest! Ze heeft ontdekt dat ze haar beurt gemist heeft maar wil nu alsnog haar recht. Ik kijk verbaasd naar de lokettiste die haar schouders ophaalt en het arme oudje gelijk geeft. Verddddddd... porca miseria! Maar Italianen zijn altijd beleefd en dus trek ik me als pseudo-Italiaan grommend en met tegenzin terug.

Eenmaal op het stoeltje besef ik pas goed hoe ik in de val gelokt ben: doordat mijn nummer al getrokken is, gaan de andere loketten vrolijk verder met de volgende nummers! Ik zit vast aan het loket waar mijn nummer getrokken is en moet nu wachten tot het oudje klaar is, hoe lang het ook duurt! Dat geloof je toch niet! Hoe heeft ze het geflikt! Bovendien moet ik alert zijn want zodra ze klaar is gaat het 'pling' en komt nummer 104 of hoger op de proppen. Dan ben ik gedwongen om net zo bij een ander in te breken als zij bij mij heeft gedaan. Ik laat mijn hoofd voorover zakken en schud het ontgoocheld heen en weer. ’Pling’! Ho! Ik sprint naar voren, loop het vrouwke bijna omver maar ben op tijd. Pfff.

Ik ben snel klaar en terwijl ik naar mijn auto loop, sukkelt zowaar de mij welbekende Panda voorbij. Ik kijk en zie het oudje achter het stuur zitten. Even kijkt ze opzij. Zag ik daar een malicieus glimlachje op haar verkreukelde gezichtje verschijnen of was dat inbeelding?

Meer leuke verhalen lezen? Koop "Italiaanse Toestanden" deel 1,2 én 3! 
Zie http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it
 




http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it

donderdag 1 juni 2017

Il Giro d'Italia






Ieder jaar kijken we er weer even naar: het rondeschema van de grote Giro d’Italia, dé wielerwedstrijd van het jaar. Maar nee, moeten we steeds weer teleurgesteld constateren, ook dit jaar komt de ronde niet naar de (volgens ons dan) o zo geschikte heuvels van de mooie Oltrepò Pavese. Goed, de wegen zijn hier niet best, maar de ciclisti rijden toch ook over de kasseien van … en op de muur van …? Of zouden het juist de Italianen zijn die niet voor het aanzien van de internationale gemeenschap met hun slecht onderhouden wegen te kijk willen staan? Fare bella figura, ook op twee wielen. Dus geen wielerfestijn voor onze deur helaas. Een keer, een paar jaar geleden, scheerde de Giro vlak langs. Ze kwamen door Stradella (“La città che vive! De stad die leeft!”) dat net aan de voet van de eerste heuvels ligt. Jammer, gemiste kans op gratis wereldwijde publiciteit voor ons onbekende wijngebied. Toch zijn we wel gaan kijken en toegegeven, het is een enerverend evenement zo’n wielerwedstrijd. Het peloton is binnen 15 seconden voorbij maar voorafgaand aan de echte sporters passeert er een hele karavaan aan reclamewagens, motorrijders, een mobiel radiostation etc. Het was leuk om een keer gezien te hebben en de komende tien tot twintig jaar zal de Giro wel niet meer zo dichtbij komen, dachten we.

Maar wat wil het toeval? Ieder jaar gaan we twee weekjes op vakantie (ook B&B houders willen wel eens weg) naar Sardinië, we prikken twee weken in het nog niet volbezette voorseizoen, bij voorkeur in mei (ook B&B houders in Italie willen graag mooi weer op vakantie), en rijden met ons hebben en houwen naar de traghetto in Genua. De avond voor vertrek horen we bij Studio Sport (ook B&B houders kijken graag naar de tv programma’s van hun land van oorsprong) dat Il Giro de volgende dag zal starten! Helemaal vergeten om te kijken of ze dit jaar in de buurt komen! Stel je voor dat ze een etappe op Sardinië rijden, haha, dat zou wat zijn! Snel kijk ik even op internet en rol daarna bijna van de bank: op zaterdag, onze dag van aankomst, vertrekt de Giro vanuit Olbia, onze haven van aankomst, langs de oostkust van Sardinië naar het zuiden! En passeert daarbij Dorgali, dat op een halfuurtje rijden van ons vakantiehuis ligt. Krijg nou steunkousen! Als de Giro niet naar de Oltrepò komt, komt de Oltrepò (nou ja, in de persoon van twee B&B houders) wel naar de Giro.

Het tijdschema van de Giro vertelde ons dat de start om 10 uur zou zijn, ruim na onze geplande ontscheping van 8:30. We reden dus voor de karavaan uit en hadden ruim de tijd om eerst onze bagage naar het vakantiehuis te brengen, nog wat te eten en dan langzaamaan naar de plaats Dorgali te gaan. Dat plaatsje hadden we een vorige vakantie al bezocht vanwege de beroemde cantina sociale, coöperatieve wijnmakerij, die daar gelegen is. Misschien konden we dan na het wielerfestijn gelijk wat flesjes van die overheerlijke Sardijnse cannonau inslaan … We reden met verheugd gemoed op Dorgali aan en … werden een kilometer buiten het dorp staande gehouden. Dranghekken blokkeerden de weg, bewaakt door allerlei politieachtige ordepersoneel. Uren voordat de wielrenners verwacht werden, waren de toegangswegen al afgesloten. Er zat niets anders op dan te doen wat de andere automobilisten deden: langs de weg parkeren en de laatste kilometers te voet afleggen.

Hoewel dat laatste stuk nog aardig omhoog ging, was het toch leuk om gedaan te hebben want nu was er alle tijd om de versieringen en kunstwerken die de enthousiaste bevolking van Dorgali langs de weg had geplaatst te bewonderen. Roze linten, roze spandoeken, roze bloemen, alles was roze wat de klok slaat: het roze van de Gazzetta dello Sport, de sportkrant die de Giro honderd jaar geleden, jawel, uitgerekend dit jaar precies 100 jaar geleden, georganiseerd had. Bij de versieringen waren de roze racefietsen in de meerderheid. Op toegangshekken bij uitritten van bedrijven langs de weg had de organisatie waarschuwende teksten geplakt: niet de weg op gaan tussen 11 en 17 uur! Stel je voor dat er opeens een trage tractor het parcours opreed terwijl het peloton met 45 km/h aan kwam denderen! Naarmate we dichter bij het dorp kwamen nam de drukte toe. We probeerden een café te vinden waar we zittend aan een tafeltje de wedstrijd zouden kunnen volgen maar alle terrassen waren (uit veiligheidsoverwegingen?) ontdaan van meubilair. Maar we hadden enorm geluk: we stapten een pub binnen en vonden een tafel aan het raam op een verhoging, zodat we door het open raam perfect zicht hadden op de hoofdstraat én op de finish van de tussensprint. Elk dorp van een beetje statuur heeft namelijk haar eigen finish om de feestelijkheid nog te vergroten. Nog mooier was het dat we ook recht voor een groot televisiescherm zaten, zodat we de vorderingen van het peloton konden volgen. We bestelden een tweetal grote glazen bier en besloten om deze eersterangs plek onder geen beding nog te verlaten, kome wat komt. Desnoods bestelden we nog wel een paar glazen bier.

De aankomst van het wielerlegioen bleek echter langer te duren dan voorzien: de sporters hadden zichzelf vandaag een rustig dagje beloofd en peddelden kalmpjes door het prachtige Sardijnse landschap. Tegen de tijd dat ze eindelijk in Dorgali waren, had uw sportverslaggever al aardig wat gele schuimende jongens achter de gevulde kiezen. Ik begon al wat weg te doezelen toen er opeens luid claxonnerende motorrijders voorbijstoven. De reclamekaravaan was in aantocht! Even later reed er inderdaad een colonne van zo’n dertig auto’s in alle vormen en maten en van divers allooi het dorp binnen, om er vervolgens een half uur te blijven staan voor de verkoop van petjes, shirtjes, vlaggen en dergelijke. Ook was er een oorverdovende radiodame die je via de op alle wagens gemonteerde geluidsboxen toeschreeuwde. Nadat deze groep vertrokken was duurde het nog lang voor de wielrenners verschenen.

Ik dacht wel even te kunnen berekenen wanneer ze zouden moeten passeren (de wiskunde verlaat mij nooit). In de lokale sufbode stond dat de lengte van de etappe 221 km was en dat Dorgali op 144 km van de start lag. Dus lag Dorgali 77km van de finish. E=mc^2! A kwadraat plus B kwadraat is C kwadraat! Zelfs Brigitte Kaandorp snapt het. Op de tv lieten ze zien hoever de wielrenners nog van de finish verwijderd waren en dus wist ik, quod erat demonstrandum, hoever nog van Dorgali, namelijk de afstand op het tv scherm minus 77. Leuk geprobeerd maar het klopte niet. Net toen op het tv scherm als afstand tot de finish 77 km getoond werd en ik de fietsers dus vanuit het raam van de pub had moet kunnen zien passeren, verscheen op dezelfde tv ook het verkeersbord ‘Dorgali 10 km’. Lekker dan. De krant had kennelijk verkeerde gegevens afgedrukt.

Maar uiteindelijk moesten de wielrenners natuurlijk wel voorbijkomen. Om 16:30, anderhalf uur later dan oorspronkelijk gepland racete de groep voorbij. Of beter: passeerde er eerst een kopgroep van vijf man en anderhalve minuut later het peloton. We hadden twee passages voor één prijs! En de aanloop tot zo’n passage is eigenlijk het leukste van het hele evenement: na uren wachten, slenteren, op je mobiel kijken, weglopen, terugkomen, een praatje maken, blijft iedereen opeens stokstijf op zijn plek en passeert er eerst een luid toeterende motor en kort daarop nog een en nog korter daarop nog een en dan een groep en dan een luid claxonnerende auto en nog een en en en … Jaaaaaaa! Daar zijn ze, luid applaus en gejoel en … zoef, weg zijn ze weer. Het kijken naar de passage van een wielerpeloton is als het bijwonen van een collectief orgasme: een lang voorspel, een kort hoogtepunt en … Tja, het naspel? Dat laatste is een beetje deprimerend. Een half uur na de passage zijn de meeste versierselen al weer weggehaald en lijkt het of er nooit iets gebeurd is. Maarrrr … volgende keer weer? Jazeker! Maar kom nou eens een keer naar de Oltrepò Pavese, caro Giro.