Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


ZOMERACTIE!

****ZOMERACTIE: ebook nu GRATIS te downloaden! ****
Ga naar https://www.smashwords.com/books/view/588639 en download direct als epub, mobi, pdf, kindle, kobo formaat!

Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

woensdag 10 augustus 2016

Il colpo della strega


Ik zag de maniglia, de handgreep van de deur langzaam naar beneden bewegen en hoorde dat het volume van het gesprek tussen de patiënt en mijn huisarts toenam: ik was aan de beurt! Terwijl ik moeizaam van de stoel in de wachtkamer opstond, zag ik echter dat de handgreep halverwege de draai naar beneden was blijven steken. Het geklets ging hoorbaar door. Wat hebben die Italianen toch altijd veel te ouwehoeren! Schiet eens op, dacht ik, want blijven staan wachten was voor mij in mijn toestand niet echt prettig en weer gaan zitten ook niet. Elke beweging die ik maakte zorgde voor een vlijmscherpe pijnscheut: ik had de voorgaande nacht in mijn bed een strekoefening gedaan om mijn zeurende rug te ontspannen (lang leve de pilates), maar toen ik weer ging liggen merkte ik dat er iets niet goed zat. Voor de zeurende vermoeidheid was een hypergevoelig plekje linksonder in de rug in de plaats gekomen en telkens als ik me omdraaide schoot de pijn door mijn lijf. Gelukkig lukte het me nog wel om in slaap te vallen maar toen ik ’s ochtends wakker werd en wilde opstaan, bleek de kwetsuur er nog steeds te zijn, in verhevigder vorm zelfs. Opstaan lukte me alleen met de grootst mogelijk omzichtigheid. Aiuto! Naar Dezza. Diclophenac!

Nu ging de deur van de behandelkamer toch echt open. Een uiterst breekbaar vrouwtje (dat wel een stuk soepeler liep dan ik) kwam naar buiten. Dezza deed haar uitgeleide in de deuropening, zag mij kromgebogen naar hem toe strompelen, lachte en riep: „Ah! Il colpo della strega!” Haha, dacht ik, ja ik lach ook, als een boer met kiespijn in zijn rug, al begrijp ik niet precies wat er zo leuk is. Pas later, aan het einde van het consult, beeldde Dezza uit waarom deze plotselinge rugpijn in het Italiaans zo aangeduid wordt. Hij boog voorover, kwam weer overeind en bleef opeens in gekromde houding als door de bliksem getroffen stokstijf staan. „Colpo della strega!” Getroffen door de banvloek van de heks. Veel mooier dan het Nederlandse ’door je rug gaan’ toch? De pijn blijft helaas dezelfde. Aan het begin van ons gesprek legde ik uit dat het mij vijftien jaar geleden ook al eens overkomen was. Sì, sì, è scritto qui,” antwoordde Dezza, „il computer sa tutto!” Computer says yes! Hij schreef me pijnstillers voor en zocht in een rommelig bureaulaatje naar een campione, een proefmonster dat hij mij eventueel cadeau kon doen, maar hij vond niks. „Me l’ho mangiato io,” zei hij lachend, „die heb ik zelf al opgegeten.” Non è che siamo medici che non abbiamo dolori. Quando sento il male, me la prendo anch’io la medicina! Het is niet doordat we artsen zijn dat we nooit pijn hebben. Als ik pijn heb, neem ik ook een medicijn!” „Non siamo mica di ferro. We zijn echt niet van ijzer.” 

Naast de pijnstillers kreeg ik nog twee te injecteren stoffen (spierverslappers?). Injecteren? Bij mijzelf? Ik dacht eerst dat mijn vrolijke huisarts een grapje maakte toen hij zo plastisch (en grijnzend) uitbeeldde dat ik geacht werd een naald in mijn dijbeen of elders te steken. Maar nee, ik moest de inhoud van twee ampullen in een naald opzuigen en dan echt bij mijzelf inspuiten. Ach, het zal wel zo’n oppervlakig prikspuitje zijn, dacht ik en glimlachte geruststellend terug. Inmiddels weet ik beter. Het bezoek aan de farmacia leverde behalve pillen en ampullen ook een doosje met ... verpakte siringhe op, heuse injectiespuiten met een naald van een paar centimeter. Vlak voor het slapengaan geen ninnananna, slaapliedje voor mij maar een ninnanaalda. Volgens Dezza slaap ik dan tenminste pijnloos en goed. Colpo della siringa!

****ZOMERACTIE: Italiaanse Toestanden is nu GRATIS te downloaden! ****
Ga naar https://www.smashwords.com/books/view/588639 en download direct als epub, mobi, pdf, kindle, kobo formaat!

dinsdag 12 juli 2016

Bloody Hitler - Berlusconi



It was like bloody Hitler!” Davids stem sloeg bijna over van opwinding. Zelfs na meer dan twintig jaar was zijn verbazing en verontwaardiging nog bijna net zo groot als op het moment dat hij het meemaakte. Als succesvolle ondernemer was David begin jaren 90 uitgenodigd om lid te worden van Forza Italia, de politieke partij van mediamagnaat Silvio Berlusconi. De nieuwe partij die ervoor zou zorgen dat de hardwerkende ondernemers niet langer gedwarsboomd werden door linkse, socialistische of communistische wurgwetten en hoge sociale lasten. Dat Forza Italia voornamelijk de economische en juridische zaken van de oprichter zou gaan behartigen, wisten de aanhangers toen nog niet. Er was sterk behoefte aan een nieuwe redder des vaderlands na de schandalen van de voorafgaande jaren waarbij gebleken was dat nagenoeg alle politici van alle partijen zich al jaren schuldig maakten aan omkoping, witwassen en zelfverrijking. Het Schone Handen Mani Pulite onderzoek roeide in een klap de hele oude kaste van politici uit. Tijd voor wat nieuws, tijd voor Berlusconi!

De nieuwe leider wist hoe hij zijn zaakjes moest aanpakken en organiseerde verschillende massabijeenkomsten waarvoor hij allerlei succesvolle ondernemers uitnodigde. Ook David, die destijds al twintig jaar in Italië werkzaam was, kreeg een invitatie en dacht: Waarom niet? De bijeenkomst vond plaats in het voetbalstadion van Silvio’s speeltje, de voetbalclub AC Milaan. Toen David er binnentrad zag hij dat het grote stadion tot de nok toe gevuld was. De bezoekers kregen allerlei tot in de puntjes verzorgd promotiemateriaal uitgereikt, vlaggetjes, foto’s van de leider, folders met de belangrijkste programmapunten, een das in de kleuren van de partij en dergelijke. Iets klopt hier niet, bedacht David, toen hij eenmaal op zijn plek zat. Maar wat? Op het voetbal veld was een groot podium gebouwd, een rode loper leidde er naartoe. Een groot televisiescherm toonde het podium van dichtbij, goed zichtbaar voor iedereen. Na een tijdje klonk er geroezemoes in het publiek dat langzaam in volume toenam. De leider was in aantocht. Op het moment dat Berlusconi het stadion betrad, barstte het publiek in een luid gejuich uit dat nog aanhield nadat Berlusconi het podium al had beklommen. Hij stak zijn rechter arm in de lucht, waarop het gejuich nog luider werd. Iedereen zwaaide met de vlaggetjes van Forza Italia. 

David zwaaide niet maar keek verbijsterd om zich heen: de nuchtere, intelligente zakenlieden die hij zag leken betoverd door het charisma van Berlusconi en lieten alle schroom varen in hun kritiekloze aanbidding van de nieuwe leider. Wegwezen, was het enige dat David dacht. Dit is Neurenberg 1933! „Hitler, bloody Hitler, that was what it was!” Thuis gooide David zijn Forza Italia das in de prullenbak. Hij is nooit meer naar zo’n meeting gegaan. In de twintig jaar die sindsdien verstreken zijn heeft de grote volksmenner weinig voor zijn volgelingen kunnen(?) uitrichten. Zijn belangrijkste verdienste is dat hij zijn media-imperium in handen heeft kunnen houden en dat hij niet in de gevangenis is beland (al is hij op de valreep, in 2014 toch nog veroordeeld tot een werkstraf en uitsluiting van politieke functies), terwijl de mannen uit zijn duistere entourage wel achter de tralies verdwenen. De drie jaar dat Berlusconi aan de macht was sinds wij in Italië wonen, van 2008 tot 2011, hield zijn regering zich alleen maar bezig met het frustreren van onderzoeken en rechtszaken die met hem te maken hadden. Het belangrijkste wapenfeit van twintig jaar Berlusconi is misschien wel de Porcellum-kieswet: een gedrocht dat alleen maar is ingevoerd om Forza Italia in 2006 de overwinning te bezorgen (wat op het nippertje niet lukte, waarna Berlusconi wekenlang weigerde de macht aan aartsrivaal Prodi over te dragen!) en dat het voor partijen bijna onmogelijk maakt om in zowel Huis van Afgevaardigden als Senaat een meerderheid te halen. Door dit vieze varken, wat de letterlijke vertaling van porcellum is, werd de toch al gebrekkige daadkracht van elke Italiaanse regering tot nul gereduceerd. Vorig jaar verklaarde het Constitutionele Hof de kieswet zelfs ongrondwettig, terwijl er al verschillende regeringen mee gekozen waren.

Het tijdperk van Silvio B. is nu echt ten einde: zijn aanhangers verlaten als ratten het zinkende schip en richten eigen splintergroeperingen op. Voormalig kroonprins Alfano regeert zelfs samen met de sociaal-democraat Renzi. De meest veelzeggende illustratie van Berlusconi’s tanende macht was voor het hele volk te zien toen er een motie van afkeuring tegen de vorige sociaal-democratische premier Letta werd ingediend. Iedereen verwachtte dat, zoals aangekondigd, Berlusconi de motie zou steunen. Maar toen hij in het parlement opstond uit zijn bankje om zijn stem te geven, durfde hij het niet aan en wees de motie af, waarna hij gedesillusioneerd op zijn stoel plofte. Iedereen was verbijsterd. De grote Macher bleek opeens machteloos. Terwijl zijn partijgenoten, even verbaasd als alle anderen, zich over hem heen bogen om hem te troosten, zag je opeens hoe oud hij was. Een tijdperk is ten einde. Een paar maanden later schoof de jonge, energieke Renzi zijn partijgenoot Letta zonder probleem aan de kant. Gaat het hem dan eindelijk wel lukken om de problemen van Italië aan te pakken?

zondag 24 april 2016

Come si legge

Come si scrive? Hoe schrijf je dat?” vroeg ik aan de rondbuikige kok en gastheer van het inmiddels helaas ter ziele gegane restaurant Il Menhir bij ons in het dorp. „Come si legge,” was het onthutsende antwoord. Ik keek Camillo aan maar bespeurde niets van ironie op zijn gezicht. Hij bedoelde het serieus. Come si legge? dacht ik, wat moet ik daar nou mee? „Hoe schrijf je dat?” „Zoals je het leest.” Een dialoog uit een absurd toneelstuk van Harold Pinter, dat was het. Ik probeerde het nog maar eens: „No, come si s-c-r-i-v-e!” Misschien had Camillo zijn antwoord als vraag bedoeld (”Hoe lees je het?”)? Nu keek Camillo op zijn beurt verbaasd. Hij had toch net antwoord gegeven, of niet? leek hij te denken. Zijn forse snor begon nors te kijken. „Come si legge!” antwoordde hij nog eens, met stemverheffing dit keer. „Ma come si legge?” probeerde ik nu maar, in wanhoop, om te kijken of dat tot een zinvoller antwoord leiden zou. Camillo richtte zich op en plaatste zijn handen in zijn zij. Zijn buik bolde vervaarlijk naar voren. Nam ik hem soms in de maling? zo leek hij te willen uitdrukken. Nou deed ik dat graag, maar deze keer wilde ik toch graag weten hoe je dat woord spelde waar we het over hadden. „Mi fa sempre morire,” zei hij nu tegen Nico, die onze discussie geamuseerd had zitten aankijken. „Hij laat me altijd sterven van het lachen.” Maar erg vrolijk keek hij nu toch niet. We lieten het er maar even bij, ik zou het woord thuis wel opzoeken. Eerst maar eens wat eten, dat was nu belangrijker. De honger naar kennis stilde ik later wel. Eenmaal thuis keek ik in het woordenboek gelijk ook maar even bij „leggere”. Wat bleek: come si legge betekent hetzelfde wat wij uitdrukken met „zoals je het uitspreekt”. Dat wat je antwoordt op de vraag hoe je een woord schrijft. Hoe schrijf je dat? Zoals je het leest. Gekke Italianen, die woorden schrijven zoals ze ze lezen.

zondag 27 maart 2016

MonteGoedZo



Sono due armadi,” zei Roberto tegen ons, „het zijn twee klerenkasten.” Hij had het over de broers die het wijnbedrijf Monteguzzo runden, waar Roberto veel van de wijn voor zijn voormalige restaurant Amici Miei haalde. „Het zijn heel vriendelijke mannen hoor, maar als je ze voor het eerst ziet schrik je misschien wel. Ik ben al niet klein, maar vergeleken bij die twee ...,” vervolgde hij. Wijn maken konden ze in ieder geval wel, zo merkten we als Roberto ons weer eens een van de pareltjes van Monteguzzo schonk.  Maar in al die jaren dat we hier woonden en ook nadat Roberto ons met de wijn van de broers had laten kennismaken, waren we nog nooit bij het wijnbedrijf op bezoek geweest. Dat terwijl het nog wel aan de provinciale weg naar Broni lag en we er al honderden, misschien wel duizenden keren langsgekomen waren. Nu liggen er langs deze weg vele verschillende wijnboeren die net als Monteguzzo ’aan huis’ verkopen en die allemaal van het type ’verkoop in de schuur’ zijn. Er is geen klantvriendelijke ontvangstruimte of speciaal proeflokaal, nee, je stapt bij dit soort wijnbedrijven een grote fabrieksruimte binnen in de hoop daar tussen de aluminium vaten, botteliermachines, kartonnen dozen en allerlei los rondslingerend materiaal een vriendelijke druivenperser aan te treffen die je te woord wil staan en eventueel een glaasje voor je inschenkt. 

De entree bij zo’n basic bedrijf vergt dus een beetje moed (of heftige dorst), zodat, gemakzuchtig als we zijn, wij altijd doorreden naar de Cantina Sociale, die iets verderop langs dezelfde weg gelegen is. In deze wijnsupermarkt kun je met je winkelwagentje gewoon zelf dozen inladen zonder afhankelijk te zijn van enge Italianen. Bovendien waren de prijzen hier wel heel gunstig: €2,50 per fles voor een heel drinkbare wijn die je doordeweeks zonder gewetensbezwaar en pijn in de achterzak kunt wegslobberen. De rosato was zelfs erg goed en bij enkele nationale proeverijen in de prijzen gevallen. De duurdere kwaliteitswijn dronken we dan wel in een restaurant of als we bij een ander op visite waren (de Nederlandse zuinigheid komt ons soms nog goed van pas).  Aan deze zorgeloze situatie kwam helaas een abrupt einde toen in de Provincia Pavese alarmerende berichten verschenen over vermeende illegale activiteiten bij de cantina. Malversaties waarbij niet alleen sprake was van belastingontduiking (bij een medewerker trof de guardia di finanza bij een inval een tas met 300.000 euro in contanten aan; commentaar van de medewerker: ik weet ook niet waar die tas vandaan komt, toen ik laatst thuiskwam stond hij er opeens), maar ook van geknoei met de wijn zelf. De pinot grigio, die meer kostte dan de andere soorten (en die wij dus nooit kochten), bleek voor een deel van goedkopere druiven te zijn gemaakt. God mocht weten wat er allemaal nog meer was geknoeid, vroegen wij ons meteen af. Wat hadden we de afgelopen jaren eigenlijk, in aanzienlijke hoeveelheden, naar binnen gegoten? En wat hadden we al onze gasten zo gastvrij als welkomstwijntje toegediend? De politie had genoeg twijfels en sloot de tent. „Gesloten wegens vakantie,” loog een geel bordje olijk op het dichte toegangshek. Er stond nog net geen smiley bij. Illegale activiteiten in Italië moet je met een beetje humor bezien, anders heb je geen leven meer. 

 














De affaire kwam voor ons, buitenstaanders, als een donderslag bij heldere hemel, want het leek de laatste jaren met de coöperatie zo goed te gaan. Ieder jaar breidde de cantina uit en verschenen er nog meer blinkende aluminium vaten naast gloednieuwe bakstenen hallen van enorme afmetingen. Nog maar een paar maanden voordat de affaire losbrak, had de cantina een bod gedaan op La Versa, de veel beroemdere coöperatie van de wijnboeren rond Santa Maria della Versa, die op de rand van een faillissement verkeerde. Dat bod wees La Versa af, wat ons in eerste instantie onbegrijpelijk voorkwam, maar achteraf dus heel verstandig bleek. Wisten de bestuurders van La Versa al meer dan openlijk bekend was? Ook Roberto had ons wel eens wat van zijn twijfels over de cantina laten merken, maar dat hadden we als vage samenzweringsroddels terzijde geschoven: die Italianen met hun eeuwige complottheorieën en geheime krachten die onzichtbaar aan de touwtjes trokken, dat kenden we nu wel. 


Wat moesten we nu? Onze voorraad van de bedenkelijke cantina wijn slonk gestaag (we dronken het toch maar op, want weggooien is sund, zegt de Hollander). We moesten toch maar eens bij een van de kleinere wijnmakers op bezoek, maar zouden we de confrontatie met de armadi aandurven? Telkens als ik op weg naar Broni de schuur van Monteguzzo zag liggen, was deze dicht. Welke gruwelen lagen daarachter verborgen? Ik durfde nog niet. Ik kocht voorlopig nog maar wat losse flesjes bij de supermarkt, met als excuus dat je veel verschillende soorten wijn moet leren kennen. Ik had immers niet voor niets voor sommelier gestudeerd! Maar stiekem verlangde ik naar de lekkernijen van Monteguzzo. Op een gegeven moment was het geluk met ons: bij het diner aan huis dat we met Roberto en Antonica voor onze gasten organiseerden (zolang zij geen nieuw restaurant hadden gevonden, leek zo’n diner een leuke manier om onze gasten met de kookkunst van Antonica te laten kennismaken), wilde Roberto de wijn van Monteguzzo schenken. Hij zou er langsgaan om verschillende soorten te kopen, rood, wit, jong, oud, plat of bruisend, droog of zoet, voor elk wat wils. Dat was de gelegenheid om zonder gevaar kennis te gaan maken met de wijnreuzen: ik ging mee! Vooraf moest je wel altijd bellen, vertelde Roberto mij, want overdag zijn ze veel weg: aan het werk in de wijngaard of bestellingen aan het afleveren. Zie je wel, suste mijn geweten, het had helemaal geen zin gehad om er zelf zomaar langs te gaan. Alsof dat de reden was geweest dat ik Monteguzzo al die tijd gemeden had. 


Een van onze gasten die van de maaltijd ging genieten, wilde ook graag mee om te proeven. Het was Andrej, een Rus, die met zijn dochter en een vriendin van haar bij ons logeerde in verband met de wereldhondententoonstelling in Milaan. Ze hadden drie prachtige whippets bij zich, die ook in de prijzen vielen. Russen en drank, wat kon dat worden? Andrej had als cadeau al de beste wodka van Moskou voor ons meegenomen, dus hij wist van alcoholische wanten. Dachten we. Veel woorden hadden we niet met hem kunnen wisselen, want zijn Engelse woordenschat beperkte zijn repertoire tot „Very good! Very good!”, iets wat hij op ongeveer alles wat wij zeiden als antwoord gaf. 

Toen we bij de schuur van Monteguzzo aankwamen, was de grote deur opengeschoven. Ze waren voorbereid, zoals ook bleek uit de lange tafel bij de ingang, die vol stond met tientallen flessen met daarin alle soorten druivensap die Monteguzzo maakte. Dat waren er veel. Verder was het binnen een grote vlakte met dozen, pallets, vaten, een vorkheftruck, een etiketteermachine: precies wat ik verwacht had. Achter de tafel stond een van de twee armadi, inderdaad een reus van een kerel: twee meter lang en breed als een ... klerenkast. Maar hij lachte breeduit (de GVR?) en vroeg meteen wat we proberen wilden. Op advies van Roberto begonnen we met de spumante, de champagne of prosecco van de Oltrepo. Hoewel, ’de’ spumante? Alleen daarvan had Monteguzzo er al vier: de roze Cruasé, een jonge frisse Corto en twee superlekkere wat rijpere witte. We probeerden alle vier, want we waren er nu toch en aan uitspugen deden we niet. De klerenkast Alberto schonk niet zuinig ook en als je je glas leeg neerzette, vulde hij meteen bij. Oeps, dat ging wel erg hard. Tot onze verrassing was Andrej niet zo enthousiast als wij over de schuimwijntjes. Hij hield natuurlijk van het straffere, hoogalcoholische werk, dachten we. 

Roberto stelde voor om wat witte wijn te proberen, zoals een Pinot Nero, Riesling, Chardonnay,... Ho, ho, Roberto, riepen wij: op deze manier komen we aan rood niet meer toe. Althans niet bij volledig bewustzijn! Oké, dan proberen we alleen de Dolcefuoco, een Riesling Renano, zei Roberto. Die kenden we al uit de tijd van Amici Miei, maar wilden we gerust nog wel eens testen: in de herhaling herkent men de meester, of hoe was het ook al weer? Ik ging even op een paar dozen zitten, want de schuur leek wel te bewegen. Slechte constructie natuurlijk, een Torti klus. Waar was ik? Het zoete vuur smaakte nog steeds goed, maar Andrej was nog steeds niet door de alcoholfee bekoord. Bij mijn tweede glas verscheen er een tweede reus in de ingang van de schuur. Door het felle zonlicht buiten zag ik alleen zijn silhouet. Was het Alberto of een ander? Zag ik inmiddels dubbel? Maar nee, toen hij binnen was, zag ik dat dit de broer moest zijn, nog iets breder dan Alberto. Zijn ouders hadden hem Massimo gedoopt, kennelijk in de hoop de geboortegoden te bezweren zodat een eventuele volgende koter niet nog groter zou worden. 

Over op rood. Niet het signaal om te stoppen, maar om nog een flinke eindsprint in te zetten, want van rode wijn heeft Monteguzzo een Bonarda, een Barbera, een Rosso, een Buttafuoco, een Pinot Nero en een Sangue di Giuda. Poeh. Gelukkig konden we die laatste afstrepen want dat judasbloed was weliswaar een streekspecialiteit maar ook zo zoet dat het rode vocht aan je tanden bleef kleven. Gatver. En dan ook maar 11% alcohol, nauwelijks de moeite van het inslikken waard. Nee, dan klonken de buttafuoco en pinot nero met 14% interessanter. Na een paar glaasjes van deze inderdaad heerlijke wijnen, lukte het ons niet meer om onderscheid te maken en bestelden we een doosje van elk. En van de twee rijpere spumantes. En van de witte Riesling

Ach, Andrej, we waren hem bijna vergeten. "Koop jij ook wat wijn als cadeau voor al je Russische vrienden?" vroegen we uitdagend. Andrej keek bedenkelijk. Hij vond de wijnen die hij geproefd had allemaal te zwaar, bekende hij. „Een Sangue di Giuda dan?” probeerde Alberto in een wanhoopspoging om toch voet aan de grond te krijgen in de Russische afzetmarkt. „Nee!” riepen wij in koor, „dat is toch niks voor die Russen, zo’n zoete dameswijn!” Maar Andrej wilde het wel eens proberen. Wij pasten beleefd en keken vol afgrijzen toe hoe Andrej het kleverige goedje naar binnen goot. Tot onze verbijstering klaarde zijn gezicht abrupt op. Dit was fantastisch, met deze wijn kon hij wel in Moskou aankomen! Ja, doe maar een doosje van deze, zes flessen. Terwijl Alberto naar achteren ging om het doosje te halen, schonk Andrej nog eens bij. Ohhhh, wat vond hij het lekker, het spatte van zijn gezicht af. „Very good! Very good!” riep hij steeds en toen Alberto met het doosje terugkwam, zei Andrej: „Another twelve! Another twelve!” Oké, knikte Alberto en hij verdween weer. Andrej schonk weer bij, de fles was nu half leeg, zagen we. En na nog wat very good’s stuurde hij Alberto voor de derde keer terug om nog eens een doosje van twaalf te halen. Onze Rus ging uiteindelijk met dertig flessen weg, alleen maar de mierzoete, in onze ogen slappe Sangue di Giuda. Nou ja, die hoefden wij dan alvast niet meer te drinken. En als hij heel Moskou nou ook nog aan deze wijn kreeg, dan waren wij het mooi kwijt. Very good, very good!


vrijdag 11 maart 2016

La Rocca degli Angeli



„Daar krijgen ze nog een hoop mee te stellen, met deze hond,” zei de instructeur tot de andere deelnemers aan de hondencursus. Zij stonden langs de kant te kijken hoe wij onze doldrieste viervoeter Joia in bedwang probeerden te houden. Het was de bedoeling dat ze een van de hindernissen van het behendigheidsparcours zou nemen, maar haar aandacht ging vooral uit naar alle luchtjes die langs waaiden en naar alles wat er in het gras bewoog en wriemelde en friemelde. „Het is er echt een met jachtinstinct, kijk maar, ze heeft haar neus constant op de grond!” voegde de instructeur er ten overvloede aan toe. De andere deelnemers vonden het vooral erg leuk om Joia zo eigenwijs bezig te zien. Wij zuchtten van frustratie.

Nadat we onze lieve knuffelbeer Thomas op tragische wijze verloren hadden (overreden door onze benedenbuurman toen die, zoals altijd, met zijn Jeep op krankzinnige snelheid onze poort voorbij sjeesde), wilden we meteen een andere hond. We kunnen inmiddels niet meer zonder de aanhankelijke gezelligheid en het komische gedrag van deze harige huisvrienden. Van Roberto (ex-Amici Miei) hoorden we dat er vlakbij in Rocca de’ Giorgi, vlak achter de ingestorte kasteeltoren, een hondenasiel was, La Rocca degli Angeli, de Engelenrots genaamd. Daar moesten we maar eens gaan kijken. We zochten namelijk geen rashond met stamboom, maar gewoon een lekkere bastardo. Of beter: bastarda want omdat het machogedrag van Thomas (blaffend afrennen op alles wat hij als vijandig zag, zoals tractoren en, helaas, de jeep van de buurman) hem ten slotte fataal was geworden, gaven we de voorkeur aan een wat timider teefje.


We gingen kijken. Gelukkig wisten we zeker waar we moesten zijn, want er was weer eens geen enkele indicatie van het bestaan van dit asiel langs de weg te vinden. We draaiden het karrepad langs de kasteelruïne op en werden even later bedolven onder een oorverdovende blaflawine. We zaten goed! Rechts zagen we een groot aantal krakkemikkige bouwsels die voor hondenhokken moesten doorgaan en waar we het epicentrum van de geluidsorkaan lokaliseerden. Iets verder zagen we de ingang. Achter het toegangshek drentelde wat kleiner hondengrut: het ene scharminkel zag er nog zieliger uit dan het andere: schurftig, half blind, hinkend, geschoren. Zouden we zoiets in onze schoot geworpen krijgen? Hoe zielig ook, we hadden toch liever een gezonde, niet te oude spring-in-’t-veld. 

Toen de eigenaren na een behoorlijk tijd wachten onze aanwezigheid eindelijk ontdekt hadden, benaderden ze ons erg aarzelend. Het leek wel of ze hun honden niet kwijt wilden. Of vertrouwden ze ons niet? Hadden ze slechte ervaringen met mensen die langskwamen om even een hond mee te nemen? Ze vroegen waar we woonden, of we een tuin hadden, of we honden gewend waren. Verstandige vragen natuurlijk. We dachten dat onze antwoorden niet anders dan een positieve indruk konden maken, maar de achterdocht van de asielhouders nam niet merkbaar af. Waarom niet? Na nog wat onduidelijk heen en weer gepraat, waarbij we hun plattelands-Italiaans niet altijd konden volgen, mochten we met ze mee langs de hokken van het asiel. Gingen we toch een nieuwe huisgenoot kiezen? Het was niet duidelijk. Het was een treurigstemmende tocht. 
 
De hokken vielen van armoedigheid bijna in elkaar, het stonk en het was vies. Maar het waren vooral de honden die ons verdrietig maakten: schuwe, wantrouwig kijkende hoopjes ellende die schoorvoetend even tevoorschijn kwamen om te zien wie er bij hun hok stond, om zich meteen weer te verschuilen. Deze honden waren allemaal sequestrato, in beslag genomen, begrepen we nu. Op last van de rechter bij hun eigenaren weggehaald wegens mishandeling, ondervoeding, geweld. Geen wonder dat ze zo schuw waren! Hier probeerden ze beetje bij beetje het vertrouwen van de honden weer een beetje terug te winnen, want soms, na eindeloos geduld, ook lukte. Die gelukkigen konden dan bij meer ervaren baasjes veilig onder dak worden gebracht. Maar bij een aantal honden zou het nooit meer lukken, die waren te getraumatiseerd en gedoemd om altijd in het asiel te blijven. En passant vergastten de asieleigenaren ons ook nog op een paar gruwelverhalen over hoe ze sommige honden aangetroffen hadden voor ze ze in het asiel opnamen. Hond in een greppel, chip bij vol bewustzijn uit schouder gesneden en achtergelaten. 

 
Bij een van de hokken kwam een hond direct vrolijk en nieuwsgierig op ons af gehuppeld: Rocco, een bruingrijze jachthond van vier jaar met stralende ogen. Een en al vrolijkheid. Toen we de ronde langs de hokken voltooid hadden, vroegen de eigenaren ons of we een leuke hond gezien hadden. „Rocco!” riepen we in koor. Oké, dan gingen ze die even loslaten, om met ons kennis te maken op het uitlaatveldje achter de hokken. Of we even wilden wachten. We keken gespannen toe hoe de eigenaren door de lange gang langs de hokken terugliepen. Aan het einde trappelde Rocco vast al vol ongeduld. Er werd gerommeld met sleutels. Het hek ging open en meteen denderde er een hond uit die in een wolk van stof op ons afrende. Zijn poten roffelden op de houten planken. Het leek wel een tekenfilm! We sprongen opzij om niet door deze dolle stier onder de voet gelopen te worden en lachten om zoveel enthousiasme. Na een kwartiertje spelen keken we elkaar aan en begrepen we het zonder iets te hoeven zeggen: dit zou onze nieuwe huisgenoot worden. Maar toen we dit de asielhouders vertelden, maakten ze alweer terugtrekkende bewegingen. Er waren vaste procedures waar ze aan gehouden waren en eerst zou er iemand bij ons langskomen om te kijken of wij en ons huis wel geschikt waren. Hadden wij bijvoorbeeld wel een tuin? Mocht de hond 's nachts in huis verblijven? Ja hoor, geen probleem, knikten we opgelucht. Als dat alles was. Maar op de vraag of onze tuin recintato, omheind, was, moesten we schoorvoetend ontkennen. Niet helemaal, niet echt maar wel een soort van ... De gezichten van de asielhouders betrokken. Rocco was een van de sequestrati en daarvoor golden extra strenge regels om te voorkomen dat de eigenaar zijn huisdier met succes zou kunnen terugvorderen, omdat deze bij zijn nieuwe baas niet veilig was. Een gotspe! Maar wel een reële mogelijkheid. 

Een paar dagen later kwam er een andere verantwoordelijke bij ons thuis langs om direct te constateren dat het niet zou gaan. Voor in beslag genomen honden was een omheind terrein absolute voorwaarde. En dat we onze vorige hond nu juist door een ongeluk verloren hadden, maakte ons helemaal kansloos. Geen vrolijke Rocco voor ons. We keken beteuterd naar de asielmedewerkster. Waarom hadden de asielhouders ons dat niet meteen verteld en waarom hadden ze ons juist een in beslag genomen beest laten zien? Typisch Italiaans? Het bracht ons onze zoektocht naar een appartement in Pavia in herinnering, jaren geleden, toen we een paar keer een huis te zien kregen dat achteraf helemaal niet beschikbaar bleek. Waarom, waarom?  Onze teleurstelling was zo groot dat de medewerkster er bijna buikpijn van kreeg. Ze verontschuldigde zich wel tien keer, terwijl het haar schuld toch niet was. Maar ze ging met het asiel bellen, want ze had een ingeving. En ja, even later vertelde ze dat er pas een hoogzwangere teef binnen was gebracht die net zes pups had geworpen. Pups die niet onder de strenge regels vielen. Over een maand of twee zouden we langs kunnen komen om er een uit te kiezen! Oef, wat een geluk, we haalden opgelucht adem. Het zou nog goed komen, even op de hondloze tanden bijten en dan kwam er een nieuwe lieveling. Hoopten we.

(Wordt vervolgd)

zaterdag 6 februari 2016

Camorra





We waren de slagboom van de parkeergarage nog niet gepasseerd, of een man hield ons staande. Nog voor we het autoraampje geopend hadden, knikte hij ons al minzaam toe en maakte daarbij een lichte buiging met zijn bovenlichaam. Een priester? Nee, hij droeg het kostuum van een bedrijfsmedewerker, niet dat van een geestelijke. Hier werden auto’s geparkeerd, geen zielen. „Solo il conducente,” zei de man bedeesd zodra ons raampje open was geschoven. Watte? „Non capisco,” antwoordde Nico verbouwereerd. Wat zou hij nou bedoelen? „Solo il conducente può entrare, per ragioni di sicurezza,” vervolgde de man zijn uitleg, waarbij hij minzaam bleef kijken en nog maar eens onderdanig boog. Of de medepassagier alstublieft hier wilde uitstappen, dat was de smeekbede van de pseudo-prelaat, zoveel begrepen we nu wel, maar waarom in vredesnaam? Wat konden die veiligheidsredenen zijn? E il cane? Deve anche uscire adesso?” vroegen we ten overvloede. Ja, het was ook beter dat de hond de auto hier verliet, je weet ten slotte maar nooit. Nooit? Wij weten helemaal niets! Wel spookhuis ging de conducente hier binnenrijden? 

Nadat ik met hond en jas in allerijl de auto verlaten had, vaarwel zwaaiend naar de nog immer verbouwereerde chauffeur, dirigeerde de medewerker mij naar de uitgang, il tunnel. Dat bleek een tochtgat dat kennelijk dwars door de berg naar de stad Amalfi leidde. Ik stelde me strategisch op tussen de verschillende in- en uitgangen die ik zo op het oog ontwaarde, want ik had geen idee waar (en wanneer?) mijn Odysseus uit de parkeeronderwereld tevoorschijn zou komen. Na een minuut of vijf verscheen hij ergens, nauwelijks te ontwaren, in de verte. Ik liep naar hem toe en zag dat hij zijn jas niet bij zich had. „Heb jij mijn jas niet meegenomen?” vroeg hij kleumend. „Nee, in de haast heb ik alleen mijn eigen jas gepakt!” Hij kon dus terug. Via een andere ingang want de deur waaruit tevoorschijn was gekomen, was in het slot gevallen en kon alleen van binnenuit geopend worden. Zucht. Pas toen hij alweer weg was, realiseerde ik me dat ook de reisgids nog in de auto lag. Dat stomme gekloot ook! Waarom mocht alleen de bestuurder naar binnen? We kwamen er niet achter. De parkeergarage leek er een als elke andere, waar je met je hele hebben en houden zonder problemen naar binnen mocht. Was het iets met de mafia? Drugshandel? Wapens? Geheime afspraken? Moordpartijen?

We waren voor het eerst in Zuid-Italië, dus de fantasie ging nogal eens met ons op de loop. Overal dachten we sporen van de camorra, de Zuid-Italiaanse tak van de mafia, te zien. We zagen dure glimmende auto’s geruisloos voorbij schuiven, met aan het stuur (de ’conducente’!) gedistingeerde, gebronsde, oudere heren met zijden dasjes en gouden brilmonturen en dachten: il capo dei capi, de maffiabaas! Wat was er hier trouwens veel politie op de been, overal zag je de auto’s met carabinieri of polizia. Niet dat de rechtsdienaren veel activiteit vertoonden trouwens, ze waren vooral aan het kletsen met voorbijgangers, terwijl achter hun rug ... Of niet? Voor de lunch die we op een terras genoten hadden, moesten we twee panden verder bij de gelateria afrekenen. Hè? Zou de ijscoman soms de afperser van de buurt zijn, waaraan elke winkelier van de straat zijn inkomsten moet afstaan? Camorra, camorra, zoemde het in ons hoofd. De man van de gelateria zong er in ieder geval vrolijk bij, boven zijn vitrine met uitpuilende bergen ijs, waaronder de specialiteit van de zaak: een roomwitte met citroengele strepen doortrokken ’O sole mio’

Napels, de maffiahoofdstad van Italië (of was dat Palermo, of Corleone? Milaan???), durfden we daar eigenlijk wel naar toe? Het bezoeken van dit Parijs aan de Middellandse Zee, zoals Napels in welvarender tijden heette, was een must, maar het sterven stelden we liever nog wat uit. Van de verkeerschaos die daar moest heersen, hadden we hier in Salerno en omstreken al een voorproefje gekregen. Onmogelijk nauwe straatjes met haakse bochten, schots en scheef en dubbel geparkeerde auto’s die de doorgang belemmerden, mensen die zonder op te letten dwars overstaken, scooters die uit alle hoeken en gaten tevoorschijn schoten: je kwam ogen te kort. En o wee als je bij een kruising even aarzelde alvorens je je in de voorbij razende stroom van zwaar gehavende en gedeukte voertuigen stortte! Dan werd je meteen links én rechts voorbij gestoken door conducenti die nog nooit van sicurezza schijnen te hebben gehoord! We hadden dan wel het eigen risico voor krasschade bij het verhuurbedrijf afgekocht, maar of een total loss daaronder viel? 



Het kleine Vietri sul Mare, waar we een vakantiehuisje hadden gehuurd, gaf ons ook een voorproefje van hoe Napels zou moeten zijn. Smalle, bochtige straatjes langs piepkleine speciaalzaakjes, pijpelaatjes, die alleen schoonmaakmiddelen verkopen, of alleen groenten, alleen pasta, etc. Supermarkten zag je in deze streek nog nauwelijks (omdat die moeilijk af te persen zijn?), het waren allemaal kleine familiebedrijfjes. En zo ging het er ook in Vietri aan toe: je zag de winkelaars van de ene negozio naar de andere wandelen om de eigenaren te begroeten en een praatje te maken. Iedere dag opnieuw. Naast de groentenman die ons een speciaal soort broccoli verkoopt, zat een keramiekzaak waarvan de eigenaresse zich meteen met onze aankoop bemoeide. „Sono broccoli napoletani,” verklaarde ze. Degene die wij kennen, de bloemkoolachtige struik, kwam uit de Basilicata, nog zuidelijker. Het dikke accent dat de ’meridionali’, de zuiderlingen, spreken, intrigeerde me en ik begon een gesprekje met de pottenbakster, waarbij ik haar accent probeerde na te bootsen. De kunst was het om met een luie tong te praten, ongearticuleerd maar met veel passie, als een dronkenman die de medeklinkers niet meer kan vormen. Mijn poging viel in goede aarde en lachend zei de winkelierster dat de Napolitanen ’bonu’ zijn, ’buono’, goed volk, open en altijd bereid tot een praatje. Zij was nog goed te verstaan, maar veel van wat hier in dialect gebrabbeld werd, ging toch aan ons voorbij. Jammer. Of misschien toch niet. Zo zouden we het niet eens merken als iemand ons zou proberen af te persen. Camorra? Nooit van gehoord!