Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen

Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

En een derde deel! Nog Meer Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

maandag 21 december 2015

Scacco Matto



Het bord hangt er nog, onverlicht in het donker, en ook op de gevel is met enige moeite de naam van het restaurant nog wel te ontwaren, maar Osteria Francia is al jaren dicht. Toch was het vroeger een wijd en zijd bekende pleisterplaats en zelfs nu nog doet de naam van het etablissement nuttig dienst als oriëntatiepunt wanneer we koeriers of (Italiaanse) gasten moeten uitleggen waar we wonen: „Is dat bij de vroegere Osteria Francia?” is steevast de wedervraag als we zeggen dat we vlakbij de frazione Francia van de gemeente wonen. Ja, daar is het.


Toen we hier kwamen wonen, was de osteria al dicht. Wanneer we aan een buurtgenoot (buurman Antonio, buurman Francesco, aannemer Torti, en dergelijke) vroegen waarom het dicht was, volgden er alleen maar negatieve verhalen. Het kwam erop neer dat Osteria Francia tot voor een paar jaar een zeer goed lopende tent was, maar dat de eigenaresse de klandizie met haar kwaadsprekerij gaandeweg had weggejaagd, totdat de zaak uiteindelijk had moeten sluiten. Erg jammer, vond iedereen en ook wij keken altijd met spijt naar de osteria, want een goed restaurant op loopafstand van ons vakantieverblijf zou een interessante pre zijn geweest. De wijnliefhebbers zouden er ongeremd van het lokale product kunnen proeven, zonder zich zorgen te maken over politiecontroles. Ging het maar weer open! Maar telkens als we er met Saar langs wandelden, waren de luiken potdicht en was de toegangspoort gesloten. De enige tekens van leven bestonden uit het diepe geblaf van de herdershond achter de poort en het hoge gekef van de Jack Russell, die altijd meteen op Saar afkwam, wat vooral aanleiding gaf tot wederzijds gegrom. Als je er met de auto passeerde, moest je goed uitkijken want de kleine Jack maakte er de gewoonte van op zijn rug midden op de weg te gaan liggen. En te blijven liggen. Al kwam er een auto recht op hem af, hij verroerde geen haar en vertrok geen spier. Dat hij het tot nu toe overleefd had, dachten wij verbaasd, terwijl we bijna in de berm reden om er langs te kunnen.


Na een paar jaar kwam er echter op eens beweging in de zaak. Er werd geklust! Zou het warempel toch gaan gebeuren? En ja, na een aantal weken verscheen er voor de ingang opeens een tafeltje met een kleedje waar een grote fles op stond: hét teken hier te lande dat men welkom is. Hoera! We gingen het meteen uitproberen. Achter de grote bar bij de ingang lag een vrij grote eetzaal. Toen wij er voor het eerst kwamen was die zo goed als leeg, maar het woord over de opening zou zich eerst nog moeten verspreiden en dat kost natuurlijk tijd. We vonden het nog wel erg kaal en sfeerloos, maar ook dat zou met wat kleine ingrepen zo verholpen kunnen worden. Wie weet gebeurde dat nog wel, als de nieuwe gestori er eenmaal vertrouwen in hadden dat het restaurant goed ging lopen. De bediening was ietwat gereserveerd maar vriendelijk, het eten prima (al was het oordeel van onze buurman Francesco vernietigend, maar ja, dat was nu eenmaal een oude mopperkont, wisten we). Dit zou hem wel eens kunnen worden! besloten we hoopvol. 


Maar helaas, na een jaar sloot Osteria Francia haar deuren alweer. Wat zou de oorzaak zijn? vroegen we ons teleurgesteld af. Van onze buurtgenoten begrepen we dat de uitbaters ruzie gekregen hadden met de eigenaren en vroegere uitbaters die boven het restaurant woonden. Ze hadden allerlei plannen gemaakt en voorstellen gedaan om de zaak aantrekkelijker te maken en op de kaart te zetten, maar de eigenaren hadden alles geblokkeerd. Er mocht niets aan de huidige inrichting en structuur veranderen. Dat er geen internetverbinding beschikbaar was, toch noodzakelijk voor de publiciteit in moderne tijden, mocht van de eigenaren oude stijl geen probleem genoemd worden. Na maandenlang sfeerbedervend getouwtrek, hadden de nieuwe gestori besloten dat het beter was om er een punt achter te zetten. Later hoorden we dat ze een nieuwe poging hadden gedaan bij het enkele kilometers verderop gelegen Domus Paradisi, maar daar min of meer waren weggepest door de kwaadspreekster van Francia. Die zou ze een rechtszaak hebben aangedaan en enkele malen ’s avonds schreeuwend en tierend bij Domus Paradisi zijn verschenen, om de klanten er weg te jagen. Wat we hier nu weer van moesten geloven, we wisten het niet.

Maar wat schetst onze verbazing, na korte tijd zagen we hernieuwd activiteit! Er werd geverfd en geklust (mocht dat nu opeens wel?) en de osteria herrees blinkend oranje uit haar graf onder de merkwaardige naam Scaccomatto, schaakmat. Hadden de nieuwe gestori een vooruitziende blik en er zich bij voorbaat al bij neergelegd dat ze zich op een doodlopende weg bevonden? Of kwam er een schaakcafé? Binnen was alles opeens oranje, de muren, de kussens op de stoelen, de servetten, de letters van het menu. Maar schaakborden waren nergens te bekennen. De enige keer dat we ’Schaakmat’ bezochten, zaten we gerieflijk buiten aan een tafeltje. De bediening bestond uit een rossige (!) jongeman en een oudere vrouw die zijn moeder bleek te zijn, zoals ze zelf bekend maakte. „Ja, ik help mijn zoon een beetje in het begin, om op gang te komen, want voor hem is dit ook allemaal nieuw. Ik steun hem graag in zijn initiatief om een zelfstandig bestaan op te bouwen.” We knikten braaf en vroegen ons af of wij ook wat betreft het eten betalende proefkonijnen waren. Zoals zijn moeder het vertelde, klonk de nieuwe eigenaar een beetje als een kneus die maar geen draai aan zijn hopeloze leven wist te geven. We bestelden lasagna, op aanraden van moeders. „Het is de eerste keer dat hij dat bereid!” riep ze verheugd. Haar zoon stond er al die tijd, terwijl zij het woord deed, maar een beetje bedremmeld bij. Was hij wel helemaal 100%? Dat kon een spannende lasagna worden. 


Terwijl de jongeman aan de slag ging (beelden van een chaotische keuken vol smerig gerei en een oververhitte kok verschenen onbedwingbaar voor mijn geestesoog), hield zijn moeder ons gezelschap en vertelde dat zij, met haar zoon, vlakbij woonde. Tot onze verrassing bleek haar huis datgene met de totaal verwilderde tuin en de drie honden, die elkaar altijd te lijf ging als we er met onze hond langsliepen. Na het vroegtijdige verscheiden van Scaccomatto vertrokken de restaurateurs in ruste ook uit dat huis, met achterlating van de honden. De buren ontfermden zich toen maar over de arme beesten die steeds meer verwilderden en verwoede pogingen deden om te ontsnappen, wat af en toe lukte. Een van de drie bleek zelfs in staat in een boom te klimmen in zijn drift om weg te komen! De evolutietheorie van Darwin in de praktijk bewezen! Dat was dus de moeder, dachten we, iemand die haar huisdieren verwaarloosde. Wat kon dat voor de kwaliteit van het restaurant betekenen? We wachtten in spanning af.


De lasagna werd geserveerd en bleek niet onsmakelijk, ongeveer net zoals we hem zelf thuis maakten. Een kans op een hernieuwde kennismaking met Scaccomatto kwam er niet, want al na een maand of drie sloten de deuren van de zaak alweer. Te weinig klandizie waarschijnlijk, te zien aan de wanhoopspogingen die de beste jongen deed om zijn zaak voor lokale lekkerbekken aantrekkelijk te maken: hij bood op een gegeven moment een pranzo di lavoro aan, voor een tientje. Dat doen de meeste restaurants in de omgeving, maar hij begon er pas net ná de druivenoogst mee, toen alle loonarbeiders alweer naar Roemenië en Albanië teruggekeerd waren. Een ander initiatief was een servizio pullman, een shuttledienst. Maar wie zou zich nou helemaal naar the middle of nowhere willen laten vervoeren voor een onbekende eetgelegenheid? Een reclamebord aan de drukke provinciale weg beneden in het dal verscheen een week voordat de tent definitief dicht ging. We vreesden dat de jongeman nog wel even van moeders pappot zou (moeten) blijven genieten (maar misschien maakte hij nu thuis ook wel lasagna?).


Na alweer (lange) periode van stilte heropende de osteria voor de derde keer. En, verrassing, nu waren het de eigenaren die het opnieuw gingen proberen. Beneden in het dal plaatsten ze direct een bord waarop ze de heropening feestelijk aankondigden. Aperto!, stond er in grote letters, wat niet verhinderde dat we twee keer onze neus tegen een dichte deur stootten: ze bleken voorlopig allen in het weekend open (maar dat stond niet op het reclamebord en betekende dat onze gasten er maar beperkt van zouden kunnen profiteren). Uiteindelijk aten we er toch een paar keer, voornamelijk buiten op het grote terras terwijl de herder vrij tussen en onder de tafels struinde en de Jack een blafwedstrijd met onze hond begon. Een van deze wedstrijden eindigde ermee dat er onder tafel een flinke hap in het been van onze schoonzus werd gedaan. Au!!! De eigenaresse deed de bediening en hoewel ze er wel streng uitzag, konden we toch niet vaststellen of de slechte verhalen over haar op waarheid berustten of niet. 


Hoe het ook zij, ook de herrezen osteria leed na een aantal maanden schipbreuk en ging zonder rumoer ten onder. We hadden ons er al bij neergelegd dat een restaurant-op-loopafstand voor onze villa niet weggelegd was. Met Roberto en Antonica hadden we er, na hun vertrek bij Amici Miei, wel eens gedagdroomd over de mogelijkheid dat zij de osteria zouden overnemen, maar Roberto piekerde er niet over zolang de eigenaren er nog boven woonden, hun eigen ervaringen indachtig en gewaarschuwd door de verhalen over de eigenaren van Francia. Maar wat kwam ons onlangs opeens ter ore? De eigenaren vertrokken, ze gingen verhuizen naar Piemonte. Zou dit een kans voor Roberto en Antonica zijn? Zouden de eigenaren het restaurant willen verpachten? Als er nu eindelijk eens een keer geen beren op de weg zouden verschijnen, verzuchtten we. Uit jarenlange ervaring wisten we dat Italianen meesters zijn in het opwerpen van blokkades en het bedenken van complicaties, ook en vooral als het hun eigen zaken betreft! Dit keer zou er toch wel eens een uitzondering op deze regel mogen komen, vonden wij. Dan was het eind goed, al goed. Of kennen Italiaanse sprookjes echt geen lieto fine, geen happy end?