Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen

Lees hier over de doldwaze belevenissen van de twee Nederlandse eigenaren van een Vakantiehuis Bed & Breakfast in Italie, Villa I Due Padroni.

Hilarische verhalen over het echte authentieke Italiaanse leven, over eten, kooklessen, Berlusconi en andere ongemakken in de mooie maar onbekende Oltrepo Pavese, het Toscane van Noord Italie: een luilekkerland voor wandelaars, wielrenners, luiaards en lekkerbekken.

Onze verhalen zijn verschenen als boek onder de titel Italiaanse Toestanden. Verkrijgbaar als paperback en als ebook.

Er is nu ook een tweede deel, Méér Italiaanse Toestanden!

En een derde deel! Nog Meer Italiaanse Toestanden!

Zie de presentatiepagina voor leesfragmenten en bestelinfo.



italie verhalen emigratie ik vertrek--italie verhalen emigratie ik vertrek

zaterdag 30 september 2017

Trekkrs kieken


„Vraag ’s wat-ie aan ’t doen is,” zei Errit tegen mij. Hij zat al een tijdje vol afgrijzen te kijken hoe Alessandro met een rubberen afsluitring aan het prutsen was. Met een schaartje probeerde hij er een randje af te knippen, terwijl hij ondertussen doorging met praten. In het Italiaans, waar Errit niks van verstond. „Che cosa stai faccendo,” vroeg ik snel toen Alessandro’s spraakwaterval even stil viel. „Mettere a posto questo,” was het antwoord, „dit passend maken.” Hij pakte er een stalen cilinder bij en duwde de rubberen ring er in. Dat ging niet eenvoudig want de ring deed zijn best om zich weer uit de cilinder te werken: hij kronkelde als een weerspannige slang en als Alessandro hem er aan een kant indrukte, floepte de ring er aan de andere kant weer uit. De ring was een maatje te groot voor de cilinder maar dat scheen Alessandro niet te hinderen. Hij knipte alleen de dikte van de ring op maat. Errit begreep er niks van. Toen we later naar huis reden kon hij er niet over uit: „Die afsluitring houdt het maar een paar dagen uit. Dan gaat het weer lekken en kun je opnieuw beginnen. Wat n gepruts! Echt weer op z’n Italiaans.”

Alessandro was de eigenaar van een garage die zich specialiseerde in het renoveren van oude tractoren. De garage en het terrein eromheen waren één grote uitdragerij van halfverroeste trekkers, onderdelen, gereedschappen, afval en allerlei ondefinieerbaar spul. We hadden er vanochtend een afspraak met Alessandro, om 11 uur en dus kwam deze om half 12 aanrijden. Waarna hij nog een kwartier verdween om ’zijn auto weg te zetten’. Errit scharrelde in de tussentijd wat rond over het terrein en kon zijn ogen niet geloven: „Dat bestaat toch niet, zo’n puinhoop! Moet je die tractoren zien, over een paar jaar is er niets mee van over. Zonde! Weet je wel wat die dingen waard zijn?”

Nee, dat wist ik niet want ik was geen tractorfetisjist zoals Errit en was vanochtend alleen maar meegekomen om te vertalen. Veel stelde dat vertalen trouwens niet voor want het ging voornamelijk over de verschillende modellen van het Italiaanse merk Same waar Errit een verzamelaar van was. Het ’vertalen’ kwam vooral neer op het omzetten van Italiaanse nummers in Nederlandse aangezien de antieke Same tractoren zulke spannende namen hadden als 4R10, DA25 en 450. Errit had al 21 van die tractoren thuis maar er waren nog wel modellen die hij er graag aan toe zou willen voegen. Bovendien kon hij altijd onderdelen gebruiken voor de tractoren die hij nog aan het renoveren was. En wat lag er hier veel voor ’t grijpen! Aan de zijkant van het terrein bevond zich wat voor een leek zoals ik niet meer dan een enorme berg oud ijzer was, maar waar Errit verlekkerd naar keek.
Hij klom erbovenop en trok van alles tevoorschijn. „Moej kiekn man! Hier ligt gotver een hele vooras! Zomoar te verroestn! Terwijl ik het zo goed kan gebruukn!” Maar Alessandro wilde niets verkopen. Errit begreep er niks van. Dit spul lag er zo te zien al jaren en zou er vast nog jaren blijven liggen. Als je er niks mee doet, verkoop ’t dan, vond hij. Met de moed der wanhoop bleef Errit over het terrein rondlopen waarbij hij steeds dingen aanwees en een vragende blik richting Alessandro wierp die, glimlachend, geen krimp gaf.

Maar Errit had een troef die hij kon uitspelen. Eerst liet hij Alessandro foto’s en een video zien van de grote bijeenkomst van Same verzamelaars (verSamelaars) die ieder jaar in Nederland en België gehouden wordt. Foto’s van een grote hal met tientallen prachtig gerestaureerde rood, groen en oranje glimmende Same’s. Toen hij dat zag spatten de liefdesvonkjes uit Alessandro’s ogen. Zo, nu weet hij tenminste dat hij met een serieuze liefhebber van doen heeft, dacht Errit. Dan wordt hij vast wel wat toeschietelijker. De laatste foto die Errit Alessandro liet zien was van een van zijn eigen tractoren. In plaats van het gebruikelijke hardstalen zitje zag je daar een mooi kunstleren kuipje met de naam Same erop gedrukt. Alessandro boog zich voorover om het goed te kunnen zien en zat met zijn neus bijna tegen het scherm van Errits mobieltje geplakt. Errit glunderde. „Ja, wat vinje doarvan? Mooi?” vroeg hij, ten overvloede want dat Alessandro het mooi vond was wel duidelijk. „Bello?” vertaalde ik toch maar. „Sì, sì,” aarzelde Alessandro, „ma che cos’è?” „Hoe kom je daaraan?” vertaalde ik vrij wat want het was, dat was wel duidelijk. „Zelfgemaakt,” zei Errit, „kommoar kiekn. Ik heb er nog een achterin d’auto.” en hij liep weg terwijl hij ons meewenkte.

In de vrijwel lege laadruimte van Errits busje stond iets wat op een versleten kinderzitje leek. „Hij is nog niet af,” verklaarde Errit. Hij legde uit dat hij de zitjes zelf in elkaar knutselde, van schuimrubber, op maat want op elk type Same tractor (4R10, DA25, 450 etc) zat weer een ander zitje. Alessandro bleek zeer geïnteresseerd. Of hij deze kon kopen. Ja dat kon. Voor 60€ was deze voor hem. Deal! „Kijk,” zei Errit, „zo maak ik hem een beetje lekker. Dan gunt hij me straks misschien toch nog iets.” Hij ging weer even verder rondstruinen. Alessandro keek geamuseerd toe maar gaf geen krimp. Bij een blauw, roestig exemplaar keek Errit hem weer met een vragende blik aan. Nee? Nee, zeiden Alessandro’s donkere Italiaanse ogen. Maar wacht, kon Errit voor deze tractor niet zo’n zitje maken? vroeg hij. „Tuurlijk,” zei Errit, „moar dan mot ik wel eevn de moatn weetn.” Alessandro ging op zoek naar een rolmaat of duimstok. Ergens in de garage moest die toch te vinden zijn? Na braaf tien minuten gewacht te hebben, gingen we kijken waar hij bleef. In de garage bleek Alessandro niet op zoek naar rolmaat of duimstok maar stond hij doodgemoedereerd te kletsen met een familielid/werknemer en een toevallige passant zonder duidelijke business. Hij zat ook weer aan de afsluitring van de cilinder te prutsen. Het stoeltje was alweer uit beeld verdwenen. Errit en ik keken elkaar aan en haalden onze schouders op: Italianen ...

Uiteindelijk ging Errit geheel onverwacht toch nog met iets leuks naar huis. Hij had iets vreemds gezien bij een van de roestige tractoren buiten. Een soort ijzeren raderen die aan de buitenkant van de wielen gemonteerd waren. Wat was daar de bedoeling van? „Per le risaie,” legde Alessandro uit, „voor in de rijstvelden.” Hij liet zien dat vanuit die raderen een soort tanden naar buiten kon vouwen die dan om de tractorbanden kwamen te zitten. Zo had deze in de natte glibberige rijstvelden meer grip. „Die moet ik hebben,” riep Errit meteen enthousiast, „zoiets heeft niemand in Nederland!” En warempel, dat kon, zei Alessandro. Voor 200€ kon hij er wel een stel voor hem op de kop tikken. Eindelijk beet! Als een kind zo blij reed Errit een half uur later, na nog veel meer geklets over tractoren en het verschil tussen de landbouw in Italië en Nederland, met mij terug. Hij glunderde helemaal. „Ze weetn straks niet wat ze zeen,” zei hij. Ik zag hem in mijn verbeelding al trots als een prins op zo’n bijeenkomst van Same liefhebbers rondrijden op zijn mooiste tractor. Met rijstwielen. Mij best, leuk voor hem maar ik had voorlopig genoeg van die trattori en hongerde naar echt Italiaans voedsel. „Even lunchen?” vroeg Errit. „Mij best, als het maar niet bij een trattoria is!”







zondag 13 augustus 2017

Rallentare



Al in de Valle Scuropasso zat ze voor me, de grijze dame in de Italiaanse truttenschudder bij uitstek, de Fiat Panda. Dat ik ook zo’n auto heb, is een heel andere zaak natuurlijk want ik houd wel van doorrijden. Zij niet. Ze sukkelde vooruit en inhalen was op de bochtige weg geen optie. Na een paar kilometer naderden we wegwerkzaamheden. Nou ja, werkzaamheden: iemand was vlak langs de weg wat aan het graven. Mevrouw remde desalniettemin af. We krópen er voorbij. Maar gek genoeg kreeg mijn voorligster daarna opeens zin in het gaspedaal, schoot vooruit en sneed de volgende bocht af. Oeps, tegenligger. Met een ruk aan het stuur, ja ze is nog kwiek!, wist ze een frontale botsing net te vermijden. Van schrik remde ze daarna weer fors af. Rallentare heet dat op zijn Italiaans: waarom denk ik toch altijd dat rallentare versnellen betekent?

We waren ondanks de slakkengang toch bijna in Broni, waar ik weer eens naar het postkantoor moest. Bij elke afslag verwachtte ik dat ik van mijn trage plaaggeest verlost zou worden. Maar nee, ze nam steeds de weg die ik ook in de planning had. Ze zou toch niet ook? dacht ik. Welnee, dat zou wel heel toevallig zijn. Inmiddels was ik bijna bij ’mijn’ afslag en schakelde ik, heel on-Italiaans, de linker freccia, richtingaanwijzer, in. Gelukkig, zij niet. Maar wat was dat? Ze sloeg zomaar opeens af naar links! Zonder freccia, ik had het kunnen weten. En welja, mevrouw parkeerde ook nog op de invalidenparkeerplaats recht voor de deur van het postkantoor. Niet te geloven. Ik passeer (eindelijk, maar net nu ik het niet wil) en moet nog een heel eind rijden om een krap plekje voor mijn Pandaatje te vinden. Terwijl ik terugloop, zie ik het oude grijsje toch nog tamelijk kwiek naar de ingang van het postkantoor lopen. Hoezo gehandicapt? Ook dat had ik kunnen weten want bij de supermarkt zijn de zo handig dicht bij de ingang gelegen invalide-parkeerplaatsen ook altijd bezet, terwijl ik in de winkel zelf zelden een gehandicapte medemens tegenkom. Op Sicilië schijnt zelfs tweederde van de bevolking een gehandicaptenparkeervergunning te hebben.

Eenmaal binnen in het postkantoor zie ik hoe mevrouw de pseudo-invalida na enige aarzeling een nummertje uit de elektronische console weet te lokken: 102. Ik ben weer, nog steeds, direct na haar en heb 103. Dat lijkt hoog maar op het elektronische bord zie ik dat nummer 100 al voor een van de zes loketten staat. Een paar minuten later gaat het ’pling’ en knippert nummer 101 op het bord. Ik volg de bewegingen van mijn invalide concurrent al de hele tijd en zie tot mijn verbazing dat ze opstaat en zich alvast naar het loket van nr 101 beweegt om op tijd te zijn als nummer 102 wordt opgepiept. Denkfoutje, besef ik malicieus, want het loket waar ze nu staat te wachten heeft de kleinste kans van alle loketten om nummer 102 te gaan bedienen. En inderdaad, niet veel later gaat het weer ’pling’ en knippert 102 op het bord, voor het loket helemaal aan de andere kant. Maar mijn voorgangster heeft niets in de gaten. Moet ik haar waarschuwen? Of niet? Voordat ik deze morele knoop heb doorgehakt hoor ik alweer ’pling’ en verschijnt mijn nummer op het bord. Ik mag naar het loket waar net nog nummer 102 terecht kon, die niet kwam opdagen. Yes! denk ik, heb ik haar toch nog ingehaald, haha. Ik sta bij het loket en haal mijn enveloppen uit mijn tas.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat er iemand naast mij is komen staan. „Scusa, ma avevo numero 102!” zegt een krakerig stemmetje. Het is mijn plaaggeest! Ze heeft ontdekt dat ze haar beurt gemist heeft maar wil nu alsnog haar recht. Ik kijk verbaasd naar de lokettiste die haar schouders ophaalt en het arme oudje gelijk geeft. Verddddddd... porca miseria! Maar Italianen zijn altijd beleefd en dus trek ik me als pseudo-Italiaan grommend en met tegenzin terug.

Eenmaal op het stoeltje besef ik pas goed hoe ik in de val gelokt ben: doordat mijn nummer al getrokken is, gaan de andere loketten vrolijk verder met de volgende nummers! Ik zit vast aan het loket waar mijn nummer getrokken is en moet nu wachten tot het oudje klaar is, hoe lang het ook duurt! Dat geloof je toch niet! Hoe heeft ze het geflikt! Bovendien moet ik alert zijn want zodra ze klaar is gaat het 'pling' en komt nummer 104 of hoger op de proppen. Dan ben ik gedwongen om net zo bij een ander in te breken als zij bij mij heeft gedaan. Ik laat mijn hoofd voorover zakken en schud het ontgoocheld heen en weer. ’Pling’! Ho! Ik sprint naar voren, loop het vrouwke bijna omver maar ben op tijd. Pfff.

Ik ben snel klaar en terwijl ik naar mijn auto loop, sukkelt zowaar de mij welbekende Panda voorbij. Ik kijk en zie het oudje achter het stuur zitten. Even kijkt ze opzij. Zag ik daar een malicieus glimlachje op haar verkreukelde gezichtje verschijnen of was dat inbeelding?

Meer leuke verhalen lezen? Koop "Italiaanse Toestanden" deel 1,2 én 3! 
Zie http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it
 




http://italiaanse-toestanden.duepadroni.it

donderdag 1 juni 2017

Il Giro d'Italia






Ieder jaar kijken we er weer even naar: het rondeschema van de grote Giro d’Italia, dé wielerwedstrijd van het jaar. Maar nee, moeten we steeds weer teleurgesteld constateren, ook dit jaar komt de ronde niet naar de (volgens ons dan) o zo geschikte heuvels van de mooie Oltrepò Pavese. Goed, de wegen zijn hier niet best, maar de ciclisti rijden toch ook over de kasseien van … en op de muur van …? Of zouden het juist de Italianen zijn die niet voor het aanzien van de internationale gemeenschap met hun slecht onderhouden wegen te kijk willen staan? Fare bella figura, ook op twee wielen. Dus geen wielerfestijn voor onze deur helaas. Een keer, een paar jaar geleden, scheerde de Giro vlak langs. Ze kwamen door Stradella (“La città che vive! De stad die leeft!”) dat net aan de voet van de eerste heuvels ligt. Jammer, gemiste kans op gratis wereldwijde publiciteit voor ons onbekende wijngebied. Toch zijn we wel gaan kijken en toegegeven, het is een enerverend evenement zo’n wielerwedstrijd. Het peloton is binnen 15 seconden voorbij maar voorafgaand aan de echte sporters passeert er een hele karavaan aan reclamewagens, motorrijders, een mobiel radiostation etc. Het was leuk om een keer gezien te hebben en de komende tien tot twintig jaar zal de Giro wel niet meer zo dichtbij komen, dachten we.

Maar wat wil het toeval? Ieder jaar gaan we twee weekjes op vakantie (ook B&B houders willen wel eens weg) naar Sardinië, we prikken twee weken in het nog niet volbezette voorseizoen, bij voorkeur in mei (ook B&B houders in Italie willen graag mooi weer op vakantie), en rijden met ons hebben en houwen naar de traghetto in Genua. De avond voor vertrek horen we bij Studio Sport (ook B&B houders kijken graag naar de tv programma’s van hun land van oorsprong) dat Il Giro de volgende dag zal starten! Helemaal vergeten om te kijken of ze dit jaar in de buurt komen! Stel je voor dat ze een etappe op Sardinië rijden, haha, dat zou wat zijn! Snel kijk ik even op internet en rol daarna bijna van de bank: op zaterdag, onze dag van aankomst, vertrekt de Giro vanuit Olbia, onze haven van aankomst, langs de oostkust van Sardinië naar het zuiden! En passeert daarbij Dorgali, dat op een halfuurtje rijden van ons vakantiehuis ligt. Krijg nou steunkousen! Als de Giro niet naar de Oltrepò komt, komt de Oltrepò (nou ja, in de persoon van twee B&B houders) wel naar de Giro.

Het tijdschema van de Giro vertelde ons dat de start om 10 uur zou zijn, ruim na onze geplande ontscheping van 8:30. We reden dus voor de karavaan uit en hadden ruim de tijd om eerst onze bagage naar het vakantiehuis te brengen, nog wat te eten en dan langzaamaan naar de plaats Dorgali te gaan. Dat plaatsje hadden we een vorige vakantie al bezocht vanwege de beroemde cantina sociale, coöperatieve wijnmakerij, die daar gelegen is. Misschien konden we dan na het wielerfestijn gelijk wat flesjes van die overheerlijke Sardijnse cannonau inslaan … We reden met verheugd gemoed op Dorgali aan en … werden een kilometer buiten het dorp staande gehouden. Dranghekken blokkeerden de weg, bewaakt door allerlei politieachtige ordepersoneel. Uren voordat de wielrenners verwacht werden, waren de toegangswegen al afgesloten. Er zat niets anders op dan te doen wat de andere automobilisten deden: langs de weg parkeren en de laatste kilometers te voet afleggen.

Hoewel dat laatste stuk nog aardig omhoog ging, was het toch leuk om gedaan te hebben want nu was er alle tijd om de versieringen en kunstwerken die de enthousiaste bevolking van Dorgali langs de weg had geplaatst te bewonderen. Roze linten, roze spandoeken, roze bloemen, alles was roze wat de klok slaat: het roze van de Gazzetta dello Sport, de sportkrant die de Giro honderd jaar geleden, jawel, uitgerekend dit jaar precies 100 jaar geleden, georganiseerd had. Bij de versieringen waren de roze racefietsen in de meerderheid. Op toegangshekken bij uitritten van bedrijven langs de weg had de organisatie waarschuwende teksten geplakt: niet de weg op gaan tussen 11 en 17 uur! Stel je voor dat er opeens een trage tractor het parcours opreed terwijl het peloton met 45 km/h aan kwam denderen! Naarmate we dichter bij het dorp kwamen nam de drukte toe. We probeerden een café te vinden waar we zittend aan een tafeltje de wedstrijd zouden kunnen volgen maar alle terrassen waren (uit veiligheidsoverwegingen?) ontdaan van meubilair. Maar we hadden enorm geluk: we stapten een pub binnen en vonden een tafel aan het raam op een verhoging, zodat we door het open raam perfect zicht hadden op de hoofdstraat én op de finish van de tussensprint. Elk dorp van een beetje statuur heeft namelijk haar eigen finish om de feestelijkheid nog te vergroten. Nog mooier was het dat we ook recht voor een groot televisiescherm zaten, zodat we de vorderingen van het peloton konden volgen. We bestelden een tweetal grote glazen bier en besloten om deze eersterangs plek onder geen beding nog te verlaten, kome wat komt. Desnoods bestelden we nog wel een paar glazen bier.

De aankomst van het wielerlegioen bleek echter langer te duren dan voorzien: de sporters hadden zichzelf vandaag een rustig dagje beloofd en peddelden kalmpjes door het prachtige Sardijnse landschap. Tegen de tijd dat ze eindelijk in Dorgali waren, had uw sportverslaggever al aardig wat gele schuimende jongens achter de gevulde kiezen. Ik begon al wat weg te doezelen toen er opeens luid claxonnerende motorrijders voorbijstoven. De reclamekaravaan was in aantocht! Even later reed er inderdaad een colonne van zo’n dertig auto’s in alle vormen en maten en van divers allooi het dorp binnen, om er vervolgens een half uur te blijven staan voor de verkoop van petjes, shirtjes, vlaggen en dergelijke. Ook was er een oorverdovende radiodame die je via de op alle wagens gemonteerde geluidsboxen toeschreeuwde. Nadat deze groep vertrokken was duurde het nog lang voor de wielrenners verschenen.

Ik dacht wel even te kunnen berekenen wanneer ze zouden moeten passeren (de wiskunde verlaat mij nooit). In de lokale sufbode stond dat de lengte van de etappe 221 km was en dat Dorgali op 144 km van de start lag. Dus lag Dorgali 77km van de finish. E=mc^2! A kwadraat plus B kwadraat is C kwadraat! Zelfs Brigitte Kaandorp snapt het. Op de tv lieten ze zien hoever de wielrenners nog van de finish verwijderd waren en dus wist ik, quod erat demonstrandum, hoever nog van Dorgali, namelijk de afstand op het tv scherm minus 77. Leuk geprobeerd maar het klopte niet. Net toen op het tv scherm als afstand tot de finish 77 km getoond werd en ik de fietsers dus vanuit het raam van de pub had moet kunnen zien passeren, verscheen op dezelfde tv ook het verkeersbord ‘Dorgali 10 km’. Lekker dan. De krant had kennelijk verkeerde gegevens afgedrukt.

Maar uiteindelijk moesten de wielrenners natuurlijk wel voorbijkomen. Om 16:30, anderhalf uur later dan oorspronkelijk gepland racete de groep voorbij. Of beter: passeerde er eerst een kopgroep van vijf man en anderhalve minuut later het peloton. We hadden twee passages voor één prijs! En de aanloop tot zo’n passage is eigenlijk het leukste van het hele evenement: na uren wachten, slenteren, op je mobiel kijken, weglopen, terugkomen, een praatje maken, blijft iedereen opeens stokstijf op zijn plek en passeert er eerst een luid toeterende motor en kort daarop nog een en nog korter daarop nog een en dan een groep en dan een luid claxonnerende auto en nog een en en en … Jaaaaaaa! Daar zijn ze, luid applaus en gejoel en … zoef, weg zijn ze weer. Het kijken naar de passage van een wielerpeloton is als het bijwonen van een collectief orgasme: een lang voorspel, een kort hoogtepunt en … Tja, het naspel? Dat laatste is een beetje deprimerend. Een half uur na de passage zijn de meeste versierselen al weer weggehaald en lijkt het of er nooit iets gebeurd is. Maarrrr … volgende keer weer? Jazeker! Maar kom nou eens een keer naar de Oltrepò Pavese, caro Giro.

donderdag 11 mei 2017

Italia o no?



Questa non è Italia. Dit is Italie niet,” zei de bestuurder van de Jeep tegen ons. We waren op weg naar de Gorropu kloof op Sardinië, een steile afdaling van 600 m over een zeer hobbelige steenslagweg. Hij had nog niet begrepen dat we buitenlanders waren of hij stak al van wal. Sardinië was geen Italië dus? Verbaasd keek Nico, die op de passagiersstoel zat onze chauffeur aan. Hoezo niet? Hij speelde de vermoorde onschuld want hij wist allang wat er komen ging: het verhaal dat zo ongeveer alle Italianen of ze nu uit Sicilië komen of Puglia of de Veneto of Lombardije vertellen. „Sardinië is een heel ander land met een eigen geschiedenis, een eigen cultuur, een eigen taal. We zijn door de staat Italië gekoloniseerd,” brieste onze gids. „Garibaldi was helemaal geen held, wat de regering in Rome ons ook wil doen geloven. Hij was gewoon een huurling van de Piemontese veroveraars. Wij zijn heel anders dan die corrupte Italianen!” Nico wierp de rebelse Sardijn een ironische blik toe en vroeg glimlachend of ze op Sardinië in tegenstelling tot op het vaste land dan wel keurig hun belasting betaalden. Dat bleek niet het geval. „De regering in Rome heeft een systeem ontwikkeld dat zo ingewikkeld en onrechtvaardig is dat wij niet anders kunnen dan de belasting te ontduiken. Als we baas over onszelf zouden zijn, zou het heel anders gaan.” Maar voorlopig leek het gedrag van de eilandbewoners toch nog erg op dat van de door hen zo verafschuwde ’Italiaan’, dachten wij stiekem. „Maar dan zijn er vast onafhankelijkheidsbewegingen en politieke partijen die voor afscheiding van Italië zijn, zoals de Lega Nord in Lombardije en de Veneto?” vroeg Nico nu. De gids zuchtte. „Ja, die waren er. Teveel zelfs. Zoveel verschillende groeperingen die het niet eens kunnen worden en elkaar bestrijden in plaats van de gemeenschappelijke vijand.” Goh, dat leek toch ook weer erg op de ’Italiaanse’ politiek dachten wij weer, unisono. Snel pakte de chauffeur de positievere draad van zijn verhaal echter weer op.
„Sardinië is arm, maar dat komt omdat we door Rome kort gehouden worden. We mogen niks zelf ontwikkelen, er zijn allerlei doelbewust gecreëerde wetten die ons belemmeren.” Sardinië zelfstandig? Dat zou voor het eerst sinds de Romeinen zijn, afgezien van korte, chaotische perioden in de Middeleeuwen. Een tegenvoorbeeld hadden we dus niet voorhanden. Maar waar zou Sardinië geld aan moeten verdienen? Visvangst, schapen, marmer, toerisme? Ondertussen is Sardinië al wel een van de weinige onafhankelijke regio's die Italië rijk is en heeft meer speelruimte dan de meeste regio's op het vasteland. Maar dit soort, politieke, discussie win je nooit en inmiddels waren in het dal aangekomen.

We stapten uit en volgden onze gids die ons over een stroompje naar het begin van de wandeling leidde. Hadden we iets te eten bij ons, wilde hij opeens, bezorgd, weten. Ja, we hadden bananen bij ons. Dat stelde hem gerust. Toen hij onze waterfles uit de rugzak zag steken, moedigde hij ons echter aan om die leeg te gooien. Het was alleen maar onnodige ballast. Als we bij de kloof zouden komen, was er genoeg gelegenheid om water uit de rivier te scheppen. Koel, helder, natuurzuiver, beter bestond niet. Ik weerstond gelukkig de aanvechting om de fles te legen.
Zo groot en zwaar was deze ook weer niet. We begonnen met de wandeling naar de kloof, die volgens dezelfde gids eenvoudig was. „Piano, tutto piano. Vlak, helemaal vlak,” had hij boven in het infocentrum tegen ons gezegd. Nu zei hij dat er na de eerste bocht nog een klimmetje kwam, maar daarna was het ’tutto piano’. Dat klimmetje begon naar ons gevoel meteen en de door hem bedoelde klim bleek een pittig steil stukje over een pad met losse stenen. De hele route ging nogal op en neer trouwens. Niet echt wat Nederlanders als vlak beschouwen. Maar Sardijnen zijn nu eenmaal geen Nederlanders. Weer iets wat ze met ’Italianen’ gemeen hebben.


Bij de kloof was er een tweetal gidsen dat uitleg gaf over hoe je verder kon. Joia rende meteen naar het stroompje water om haar dorst te lessen want onderweg was er geen water te bekennen geweest. Konden we daar onze fles bijvullen misschien? Nee, nee, dat was stilstaand water en niet schoon want honden zwommen er in en mensen plasten verderop misschien wel in de stroom. O. Was er in de kloof dan misschien nog drinkbaar water te vinden. Nee, ook dat niet! Gelukkig hadden we ons flesje niet leeggegooid en ook nog niet leeggedronken, anders zouden we urenlang van vers water verstoken zijn geweest! Met dank aan het advies van onze Sardijnse deskundige die in dit geval ook wel meer gemeen had met zijn landgenoten dan hem lief was. Het is ons, bevooroordeelden?, opgevallen dat er nogal wat Italianen zijn die zich graag als expert voordoen en allerlei wijsheden debiteren die bij nader inzien op weinig of niets gebaseerd blijken. Vandaar dat veel (dezelfde?) Italianen er zo de nadruk op leggen dat je alleen moet luisteren naar persone serie, di fiducia!  Onze gids was duidelijk niet di fiducia, zo concludeerden wij. Hij was een van de vele niet serieus te nemen kletsmajoors.

Nu was het de beurt aan de gidsen bij de kloof. Ook zij beloofden een eenvoudig eerste deel van de weg naar het smalste deel van de canyon. Het tweede deel was al ingewikkelder, je moest over grote stenen klimmen die spekglad waren en waar zelfs echte bergschoenen geen gegarandeerde grip hadden. Maar het was te doen, zeiden ze. Het derde deel was verboden terrein, alleen begaanbaar voor experts. Ik besloot al meteen dat ik het tweede deel ook niet ging doen, ook al had ik dan stevige schoenen aangetrokken. Om mij heen zag ik allemaal toeristen op slappe lage schoentjes en kon alleen maar huiveren bij de gedachte dat ze daarmee over die spekgladde stenen gingen klimmen. Maar het eerste stuk was simpel, toch? Bovendien was de route duidelijk aangegeven met groene stippen, zei een van de twee gidsen.

We vertrokken, Joia huppelde enthousiast met ons mee. Al bij de eerste steenformaties waar we overheen moesten, had ik mijn bedenkingen. Joia rende van hot naar her en had natuurlijk geen weet van groene stippen. Al na een paar minuten klauteren over grote stenen (hoezo gemakkelijk?) sloeg de twijfel toe: de groene stippen wezen ons naar een met takken geïmproviseerde brug waar we overheen zouden moeten. Kon Joia dat wel? Zou ze er niet met haar poten tussendoor zakken? Het leek ons niks. „Nee, hier is de groene route,” riep een andere toerist die ons zag twijfelen. Ja, maar hier is de groene stip, riepen we zonder veel overtuiging. Misschien was de alternatieve route wel eenvoudiger? We gingen die kant op en zagen ook daar een groene stip. Lekker dan, de verkeerde kant op gestuurd door het mooie stippenplan. Of niet? De alternatieve route liep al snel ook dood. We keerden terug naar de houtbrug maar ik besloot dat ik het niet verder ging wagen. Ik had al genoeg visioenen van Joia die haar poten breekt. En mijn eigen klimrektrauma van de middelbare school speelde ook vervaarlijk op. Nico ging alleen verder.

Toen ik bij het vertrekpunt terugkeerde, keken de gidsen mij verbaasd aan. Waarom was ik teruggekomen? Het was echt eenvoudig, ook de hond zou het makkelijk kunnen. Even later ving ik uit het gesprek dat ze met Italiaanse bezoekers hadden op dat ze af en toe een helikopter moesten oproepen om een gewonde toerist af te voeren die in de kloof een of meer ledematen gebroken had ... Gelukkig kwam Nico na een minuut of veertig heelhuids terug. Aan het tweede deel met de gladde stenen had hij zich ook maar niet gewaagd toen hij zag hoe anderen zich daar op handen en voeten probeerden voort te bewegen. Waarschijnlijk zijn we als noorderlingen te serio voor dit soort avonturen?

Meer leuke verhalen lezen? Koop Italiaanse Toestanden, deel 1,2 en 3!

dinsdag 9 mei 2017

Sempre TIM

Het begon al goed: aangekomen in Siniscola parkeerden we onze auto op een met blauwe strepen gemarkeerde parkeerplaats. Blauwe strepen betekent betalen, dat wisten we door schade en schande inmiddels wel. Het bordje aan het begin van de straat vertelde ons hetzelfde: pagare, want anders ... Maar waar was dan de parkeerautomaat? Niet te vinden. Was dit een van die befaamde trucs van de Italiaanse gemeenten die op deze manier hun karige budget probeerden aan te vullen? Geen parkeermeter maar straks wel een leuke multa, boete? Er gingen in de cafés en in de lokale kranten verhalen over expres verkeerd afgestelde verkeerslichten en snelheidsmeters die tienduizenden zuurverdiende euro’s in gemeentelijke laadjes deed verdwijnen. We zouden het wel zien. Non c’è niente da fare, er is toch niets aan te doen, zou de autochtoon met fatalistische berusting zeggen. En wij zeggen het hen, tien jaar Italiaanse toestanden wijzer, na.

We gingen op zoek naar de winkel van TIM, waar de bureaucratische moloch Telecom Italia haar van mobiele telefonie voorziene klanten service belooft te verlenen. Nico had speciaal voor deze vakantie op Sardinië een abonnement aangeschaft, de eerste keer dat we zoiets aandurfden! In de duizelingwekkende jungle aan geweldige aanbiedingen en promoties waar mobiele providers je in proberen te lokken, hadden we nog niet eerder een stap gezet. Veel te gevaarlijk! Er is geen wijs te worden uit alle mogelijke abonnementen met bundels en ongelimiteerde dit en supersnelle dat. Op het openingsscherm van de website van TIM knipperen de schreeuwerige teksten en felgekleurde buttons je toe totdat je er schele hoofdpijn van krijgt. En dan al die onduidelijk voorwaarden op goed verborgen subpagina’s. Nee, in het sluw binnenharken van geld van haar cliënten was ook TIM een meester, zo leek het ons. Daar konden de Italiaanse gemeenten nog wat van leren. Of nee, doe maar liever niet.

Maar een paar weken geleden had Nico het dan toch aangedurfd. Niet via de website natuurlijk maar middels persoonlijk contact bij onze eigen TIM winkel di fiducia in Stradella. Ze hadden nu namelijk een onstuitbaar aantrekkelijk aanbod voor pensionati! Een bejaardenabonnement! Korting! Kassa! Of niet? Hebben dit soort bedrijven (providers, energieleveranciers etc) het nu niet juist bij uitstek voorzien op krakkemikkige oudjes die het ’allemaal niet meer zo goed snappen’? Ik, als jongere badante, verzorger en begeleider van de geestelijk wat aftakelende pensionado, was er niet bij en kon Nico dus niet tegenhouden. Sinds hij AOW-gerechtigd is, geilt hij op alle 65+ kortingen die er maar te krijgen zijn en ook aan TIM’s aanbod kon hij geen weerstand bieden. Hij kwam terug met écht mobiel Internet. En het werkte! Thuis tenminste. Want toen we eenmaal in ons van internet verstoken vakantiehuisje op Sardinië zaten, was het afgelopen met het surfen. Garantie tot aan de voordeur?

Op naar de dichtstbijzijnde TIM winkel dus, in Siniscola, een slaperig plaatsje op een halfuurtje rijden. Maar waar was de winkel precies gelegen? We vroegen het aan een geüniformeerde dame die, in een straat om de hoek van waar we zonder te betalen geparkeerd hadden, stond de kletsen met een winkelierster. Was zij van de politie? Of was ze een parkeerwacht??? Was dat een bonnenboekje dat ze in haar hand had? We negeerden deze alarmsignalen en vroegen beleefd, als toevallig TE VOET passerende toeristen, of zij wist waar TIM domicilie hield. Dat bleek niet ver maar voerde wel weer langs onze auto. We liepen terug, hoek om, en moesten even wachten om over te kunnen steken. Joia maakte van deze pauze gebruik om snel op het trottoir haar behoefte te doen. Een prachtige drol dat wel maar hij zou toch opgeruimd moeten worden. Waar waren de plastic poepzakjes? In de auto. Nou laat dan maar zitten voor deze ene keer (dat doen we anders nooooit). We staken over en liepen langs onze Punto die we hardvochtig negeerden. Wel keek ik nog even achterom. En wie verscheen daar op de hoek van de straat? De hulpvaardige politiemevrouw annex parkeerwacht! Gelukkig zag ze de nog vers dampende drol niet liggen en stapte ze er ook niet middenin, zodat een hondenpoepboete aan onze dichtgeknepen neuzen voorbijging. En gelukkig ging ze ook een andere kant op zodat een eventuele parkeerboete ons ook bespaard bleef. Aan twee boetes ontkomen, toch nog een goed begin van ons TIM avontuur!

Alle perikelen in de TIM winkel zal ik jullie besparen. Laat het genoeg zijn om te vermelden dat de winkel een luxe variant was, want er was zowaar een bankje voor de wachtenden. Want klanten laten wachten is ook een specialiteit van dit in snelheid gespecialiseerde bedrijf. De drie keer(!) dat we er die ochtend binnen zijn geweest, heb ik van het bankje nuttig gebruik gemaakt. De twee keer dat Nico, buiten de TIM winkel de hulplijn van dezelfde TIM moest bellen (want TIM personeel is niet gemachtigd om zelf vanuit de winkel te bellen), zat ik a) op een terras met een kopje koffie cq b) in de, gelukkig niet beboete, auto. Een hele ochtend in het nogal saaie Siniscola resulteerde uiteindelijk in werkend Internet! Het bleek dat Nico’s krediet tijdens de nachtelijk overtocht van Genua naar Sardinië was opgeslurpt, precies toen er verbinding was met het Franse Corsica. Dat betekende extra kosten in verband met roaming, dat niet onder het al betaalde internetverkeer van het 60+ abonnement viel. De kleine lettertjes, toch weer! Om vier uur ’s nachts  zou er gebeld zijn, beweerde de TIM telefonist. Maar toen sliepen wij! Toch? Of was het Joia? Had zij soms stiekem met haar Italiaanse naamgenote in Montecalvo gebeld om de laatste roddels over haar padroni door te brieven?

Naar Siniscola gaan we voorlopig niet meer terug als het niet hoeft. Duf dorp met nergens WiFi, een trattoria die wel open is maar geen klanten wil, een bar die wel klanten wil maar alleen vieze broodjes uit plastic verpakking serveert, heel veel doelloos rondrijdende politie en verder niks te doen. Het is eigenlijk één groot TIM dorp. Ergens onderweg zag ik een bordje van een pedagogisch instituut dat Einstein heette. Haha, Einstein in Siniscola? Ik dacht het niet.