Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


donderdag 11 mei 2017

Italia o no?



Questa non è Italia. Dit is Italie niet,” zei de bestuurder van de Jeep tegen ons. We waren op weg naar de Gorropu kloof op Sardinië, een steile afdaling van 600 m over een zeer hobbelige steenslagweg. Hij had nog niet begrepen dat we buitenlanders waren of hij stak al van wal. Sardinië was geen Italië dus? Verbaasd keek Nico, die op de passagiersstoel zat onze chauffeur aan. Hoezo niet? Hij speelde de vermoorde onschuld want hij wist allang wat er komen ging: het verhaal dat zo ongeveer alle Italianen of ze nu uit Sicilië komen of Puglia of de Veneto of Lombardije vertellen. „Sardinië is een heel ander land met een eigen geschiedenis, een eigen cultuur, een eigen taal. We zijn door de staat Italië gekoloniseerd,” brieste onze gids. „Garibaldi was helemaal geen held, wat de regering in Rome ons ook wil doen geloven. Hij was gewoon een huurling van de Piemontese veroveraars. Wij zijn heel anders dan die corrupte Italianen!” Nico wierp de rebelse Sardijn een ironische blik toe en vroeg glimlachend of ze op Sardinië in tegenstelling tot op het vaste land dan wel keurig hun belasting betaalden. Dat bleek niet het geval. „De regering in Rome heeft een systeem ontwikkeld dat zo ingewikkeld en onrechtvaardig is dat wij niet anders kunnen dan de belasting te ontduiken. Als we baas over onszelf zouden zijn, zou het heel anders gaan.” Maar voorlopig leek het gedrag van de eilandbewoners toch nog erg op dat van de door hen zo verafschuwde ’Italiaan’, dachten wij stiekem. „Maar dan zijn er vast onafhankelijkheidsbewegingen en politieke partijen die voor afscheiding van Italië zijn, zoals de Lega Nord in Lombardije en de Veneto?” vroeg Nico nu. De gids zuchtte. „Ja, die waren er. Teveel zelfs. Zoveel verschillende groeperingen die het niet eens kunnen worden en elkaar bestrijden in plaats van de gemeenschappelijke vijand.” Goh, dat leek toch ook weer erg op de ’Italiaanse’ politiek dachten wij weer, unisono. Snel pakte de chauffeur de positievere draad van zijn verhaal echter weer op.
„Sardinië is arm, maar dat komt omdat we door Rome kort gehouden worden. We mogen niks zelf ontwikkelen, er zijn allerlei doelbewust gecreëerde wetten die ons belemmeren.” Sardinië zelfstandig? Dat zou voor het eerst sinds de Romeinen zijn, afgezien van korte, chaotische perioden in de Middeleeuwen. Een tegenvoorbeeld hadden we dus niet voorhanden. Maar waar zou Sardinië geld aan moeten verdienen? Visvangst, schapen, marmer, toerisme? Ondertussen is Sardinië al wel een van de weinige onafhankelijke regio's die Italië rijk is en heeft meer speelruimte dan de meeste regio's op het vasteland. Maar dit soort, politieke, discussie win je nooit en inmiddels waren in het dal aangekomen.

We stapten uit en volgden onze gids die ons over een stroompje naar het begin van de wandeling leidde. Hadden we iets te eten bij ons, wilde hij opeens, bezorgd, weten. Ja, we hadden bananen bij ons. Dat stelde hem gerust. Toen hij onze waterfles uit de rugzak zag steken, moedigde hij ons echter aan om die leeg te gooien. Het was alleen maar onnodige ballast. Als we bij de kloof zouden komen, was er genoeg gelegenheid om water uit de rivier te scheppen. Koel, helder, natuurzuiver, beter bestond niet. Ik weerstond gelukkig de aanvechting om de fles te legen.
Zo groot en zwaar was deze ook weer niet. We begonnen met de wandeling naar de kloof, die volgens dezelfde gids eenvoudig was. „Piano, tutto piano. Vlak, helemaal vlak,” had hij boven in het infocentrum tegen ons gezegd. Nu zei hij dat er na de eerste bocht nog een klimmetje kwam, maar daarna was het ’tutto piano’. Dat klimmetje begon naar ons gevoel meteen en de door hem bedoelde klim bleek een pittig steil stukje over een pad met losse stenen. De hele route ging nogal op en neer trouwens. Niet echt wat Nederlanders als vlak beschouwen. Maar Sardijnen zijn nu eenmaal geen Nederlanders. Weer iets wat ze met ’Italianen’ gemeen hebben.


Bij de kloof was er een tweetal gidsen dat uitleg gaf over hoe je verder kon. Joia rende meteen naar het stroompje water om haar dorst te lessen want onderweg was er geen water te bekennen geweest. Konden we daar onze fles bijvullen misschien? Nee, nee, dat was stilstaand water en niet schoon want honden zwommen er in en mensen plasten verderop misschien wel in de stroom. O. Was er in de kloof dan misschien nog drinkbaar water te vinden. Nee, ook dat niet! Gelukkig hadden we ons flesje niet leeggegooid en ook nog niet leeggedronken, anders zouden we urenlang van vers water verstoken zijn geweest! Met dank aan het advies van onze Sardijnse deskundige die in dit geval ook wel meer gemeen had met zijn landgenoten dan hem lief was. Het is ons, bevooroordeelden?, opgevallen dat er nogal wat Italianen zijn die zich graag als expert voordoen en allerlei wijsheden debiteren die bij nader inzien op weinig of niets gebaseerd blijken. Vandaar dat veel (dezelfde?) Italianen er zo de nadruk op leggen dat je alleen moet luisteren naar persone serie, di fiducia!  Onze gids was duidelijk niet di fiducia, zo concludeerden wij. Hij was een van de vele niet serieus te nemen kletsmajoors.

Nu was het de beurt aan de gidsen bij de kloof. Ook zij beloofden een eenvoudig eerste deel van de weg naar het smalste deel van de canyon. Het tweede deel was al ingewikkelder, je moest over grote stenen klimmen die spekglad waren en waar zelfs echte bergschoenen geen gegarandeerde grip hadden. Maar het was te doen, zeiden ze. Het derde deel was verboden terrein, alleen begaanbaar voor experts. Ik besloot al meteen dat ik het tweede deel ook niet ging doen, ook al had ik dan stevige schoenen aangetrokken. Om mij heen zag ik allemaal toeristen op slappe lage schoentjes en kon alleen maar huiveren bij de gedachte dat ze daarmee over die spekgladde stenen gingen klimmen. Maar het eerste stuk was simpel, toch? Bovendien was de route duidelijk aangegeven met groene stippen, zei een van de twee gidsen.

We vertrokken, Joia huppelde enthousiast met ons mee. Al bij de eerste steenformaties waar we overheen moesten, had ik mijn bedenkingen. Joia rende van hot naar her en had natuurlijk geen weet van groene stippen. Al na een paar minuten klauteren over grote stenen (hoezo gemakkelijk?) sloeg de twijfel toe: de groene stippen wezen ons naar een met takken geïmproviseerde brug waar we overheen zouden moeten. Kon Joia dat wel? Zou ze er niet met haar poten tussendoor zakken? Het leek ons niks. „Nee, hier is de groene route,” riep een andere toerist die ons zag twijfelen. Ja, maar hier is de groene stip, riepen we zonder veel overtuiging. Misschien was de alternatieve route wel eenvoudiger? We gingen die kant op en zagen ook daar een groene stip. Lekker dan, de verkeerde kant op gestuurd door het mooie stippenplan. Of niet? De alternatieve route liep al snel ook dood. We keerden terug naar de houtbrug maar ik besloot dat ik het niet verder ging wagen. Ik had al genoeg visioenen van Joia die haar poten breekt. En mijn eigen klimrektrauma van de middelbare school speelde ook vervaarlijk op. Nico ging alleen verder.

Toen ik bij het vertrekpunt terugkeerde, keken de gidsen mij verbaasd aan. Waarom was ik teruggekomen? Het was echt eenvoudig, ook de hond zou het makkelijk kunnen. Even later ving ik uit het gesprek dat ze met Italiaanse bezoekers hadden op dat ze af en toe een helikopter moesten oproepen om een gewonde toerist af te voeren die in de kloof een of meer ledematen gebroken had ... Gelukkig kwam Nico na een minuut of veertig heelhuids terug. Aan het tweede deel met de gladde stenen had hij zich ook maar niet gewaagd toen hij zag hoe anderen zich daar op handen en voeten probeerden voort te bewegen. Waarschijnlijk zijn we als noorderlingen te serio voor dit soort avonturen?

Meer leuke verhalen lezen? Koop Italiaanse Toestanden, deel 1,2 en 3!

dinsdag 9 mei 2017

Sempre TIM

Het begon al goed: aangekomen in Siniscola parkeerden we onze auto op een met blauwe strepen gemarkeerde parkeerplaats. Blauwe strepen betekent betalen, dat wisten we door schade en schande inmiddels wel. Het bordje aan het begin van de straat vertelde ons hetzelfde: pagare, want anders ... Maar waar was dan de parkeerautomaat? Niet te vinden. Was dit een van die befaamde trucs van de Italiaanse gemeenten die op deze manier hun karige budget probeerden aan te vullen? Geen parkeermeter maar straks wel een leuke multa, boete? Er gingen in de cafés en in de lokale kranten verhalen over expres verkeerd afgestelde verkeerslichten en snelheidsmeters die tienduizenden zuurverdiende euro’s in gemeentelijke laadjes deed verdwijnen. We zouden het wel zien. Non c’è niente da fare, er is toch niets aan te doen, zou de autochtoon met fatalistische berusting zeggen. En wij zeggen het hen, tien jaar Italiaanse toestanden wijzer, na.

We gingen op zoek naar de winkel van TIM, waar de bureaucratische moloch Telecom Italia haar van mobiele telefonie voorziene klanten service belooft te verlenen. Nico had speciaal voor deze vakantie op Sardinië een abonnement aangeschaft, de eerste keer dat we zoiets aandurfden! In de duizelingwekkende jungle aan geweldige aanbiedingen en promoties waar mobiele providers je in proberen te lokken, hadden we nog niet eerder een stap gezet. Veel te gevaarlijk! Er is geen wijs te worden uit alle mogelijke abonnementen met bundels en ongelimiteerde dit en supersnelle dat. Op het openingsscherm van de website van TIM knipperen de schreeuwerige teksten en felgekleurde buttons je toe totdat je er schele hoofdpijn van krijgt. En dan al die onduidelijk voorwaarden op goed verborgen subpagina’s. Nee, in het sluw binnenharken van geld van haar cliënten was ook TIM een meester, zo leek het ons. Daar konden de Italiaanse gemeenten nog wat van leren. Of nee, doe maar liever niet.

Maar een paar weken geleden had Nico het dan toch aangedurfd. Niet via de website natuurlijk maar middels persoonlijk contact bij onze eigen TIM winkel di fiducia in Stradella. Ze hadden nu namelijk een onstuitbaar aantrekkelijk aanbod voor pensionati! Een bejaardenabonnement! Korting! Kassa! Of niet? Hebben dit soort bedrijven (providers, energieleveranciers etc) het nu niet juist bij uitstek voorzien op krakkemikkige oudjes die het ’allemaal niet meer zo goed snappen’? Ik, als jongere badante, verzorger en begeleider van de geestelijk wat aftakelende pensionado, was er niet bij en kon Nico dus niet tegenhouden. Sinds hij AOW-gerechtigd is, geilt hij op alle 65+ kortingen die er maar te krijgen zijn en ook aan TIM’s aanbod kon hij geen weerstand bieden. Hij kwam terug met écht mobiel Internet. En het werkte! Thuis tenminste. Want toen we eenmaal in ons van internet verstoken vakantiehuisje op Sardinië zaten, was het afgelopen met het surfen. Garantie tot aan de voordeur?

Op naar de dichtstbijzijnde TIM winkel dus, in Siniscola, een slaperig plaatsje op een halfuurtje rijden. Maar waar was de winkel precies gelegen? We vroegen het aan een geüniformeerde dame die, in een straat om de hoek van waar we zonder te betalen geparkeerd hadden, stond de kletsen met een winkelierster. Was zij van de politie? Of was ze een parkeerwacht??? Was dat een bonnenboekje dat ze in haar hand had? We negeerden deze alarmsignalen en vroegen beleefd, als toevallig TE VOET passerende toeristen, of zij wist waar TIM domicilie hield. Dat bleek niet ver maar voerde wel weer langs onze auto. We liepen terug, hoek om, en moesten even wachten om over te kunnen steken. Joia maakte van deze pauze gebruik om snel op het trottoir haar behoefte te doen. Een prachtige drol dat wel maar hij zou toch opgeruimd moeten worden. Waar waren de plastic poepzakjes? In de auto. Nou laat dan maar zitten voor deze ene keer (dat doen we anders nooooit). We staken over en liepen langs onze Punto die we hardvochtig negeerden. Wel keek ik nog even achterom. En wie verscheen daar op de hoek van de straat? De hulpvaardige politiemevrouw annex parkeerwacht! Gelukkig zag ze de nog vers dampende drol niet liggen en stapte ze er ook niet middenin, zodat een hondenpoepboete aan onze dichtgeknepen neuzen voorbijging. En gelukkig ging ze ook een andere kant op zodat een eventuele parkeerboete ons ook bespaard bleef. Aan twee boetes ontkomen, toch nog een goed begin van ons TIM avontuur!

Alle perikelen in de TIM winkel zal ik jullie besparen. Laat het genoeg zijn om te vermelden dat de winkel een luxe variant was, want er was zowaar een bankje voor de wachtenden. Want klanten laten wachten is ook een specialiteit van dit in snelheid gespecialiseerde bedrijf. De drie keer(!) dat we er die ochtend binnen zijn geweest, heb ik van het bankje nuttig gebruik gemaakt. De twee keer dat Nico, buiten de TIM winkel de hulplijn van dezelfde TIM moest bellen (want TIM personeel is niet gemachtigd om zelf vanuit de winkel te bellen), zat ik a) op een terras met een kopje koffie cq b) in de, gelukkig niet beboete, auto. Een hele ochtend in het nogal saaie Siniscola resulteerde uiteindelijk in werkend Internet! Het bleek dat Nico’s krediet tijdens de nachtelijk overtocht van Genua naar Sardinië was opgeslurpt, precies toen er verbinding was met het Franse Corsica. Dat betekende extra kosten in verband met roaming, dat niet onder het al betaalde internetverkeer van het 60+ abonnement viel. De kleine lettertjes, toch weer! Om vier uur ’s nachts  zou er gebeld zijn, beweerde de TIM telefonist. Maar toen sliepen wij! Toch? Of was het Joia? Had zij soms stiekem met haar Italiaanse naamgenote in Montecalvo gebeld om de laatste roddels over haar padroni door te brieven?

Naar Siniscola gaan we voorlopig niet meer terug als het niet hoeft. Duf dorp met nergens WiFi, een trattoria die wel open is maar geen klanten wil, een bar die wel klanten wil maar alleen vieze broodjes uit plastic verpakking serveert, heel veel doelloos rondrijdende politie en verder niks te doen. Het is eigenlijk één groot TIM dorp. Ergens onderweg zag ik een bordje van een pedagogisch instituut dat Einstein heette. Haha, Einstein in Siniscola? Ik dacht het niet.

woensdag 10 augustus 2016

Il colpo della strega


Ik zag de maniglia, de handgreep van de deur langzaam naar beneden bewegen en hoorde dat het volume van het gesprek tussen de patiënt en mijn huisarts toenam: ik was aan de beurt! Terwijl ik moeizaam van de stoel in de wachtkamer opstond, zag ik echter dat de handgreep halverwege de draai naar beneden was blijven steken. Het geklets ging hoorbaar door. Wat hebben die Italianen toch altijd veel te ouwehoeren! Schiet eens op, dacht ik, want blijven staan wachten was voor mij in mijn toestand niet echt prettig en weer gaan zitten ook niet. Elke beweging die ik maakte zorgde voor een vlijmscherpe pijnscheut: ik had de voorgaande nacht in mijn bed een strekoefening gedaan om mijn zeurende rug te ontspannen (lang leve de pilates), maar toen ik weer ging liggen merkte ik dat er iets niet goed zat. Voor de zeurende vermoeidheid was een hypergevoelig plekje linksonder in de rug in de plaats gekomen en telkens als ik me omdraaide schoot de pijn door mijn lijf. Gelukkig lukte het me nog wel om in slaap te vallen maar toen ik ’s ochtends wakker werd en wilde opstaan, bleek de kwetsuur er nog steeds te zijn, in verhevigder vorm zelfs. Opstaan lukte me alleen met de grootst mogelijk omzichtigheid. Aiuto! Naar Dezza. Diclophenac!

Nu ging de deur van de behandelkamer toch echt open. Een uiterst breekbaar vrouwtje (dat wel een stuk soepeler liep dan ik) kwam naar buiten. Dezza deed haar uitgeleide in de deuropening, zag mij kromgebogen naar hem toe strompelen, lachte en riep: „Ah! Il colpo della strega!” Haha, dacht ik, ja ik lach ook, als een boer met kiespijn in zijn rug, al begrijp ik niet precies wat er zo leuk is. Pas later, aan het einde van het consult, beeldde Dezza uit waarom deze plotselinge rugpijn in het Italiaans zo aangeduid wordt. Hij boog voorover, kwam weer overeind en bleef opeens in gekromde houding als door de bliksem getroffen stokstijf staan. „Colpo della strega!” Getroffen door de banvloek van de heks. Veel mooier dan het Nederlandse ’door je rug gaan’ toch? De pijn blijft helaas dezelfde. Aan het begin van ons gesprek legde ik uit dat het mij vijftien jaar geleden ook al eens overkomen was. Sì, sì, è scritto qui,” antwoordde Dezza, „il computer sa tutto!” Computer says yes! Hij schreef me pijnstillers voor en zocht in een rommelig bureaulaatje naar een campione, een proefmonster dat hij mij eventueel cadeau kon doen, maar hij vond niks. „Me l’ho mangiato io,” zei hij lachend, „die heb ik zelf al opgegeten.” Non è che siamo medici che non abbiamo dolori. Quando sento il male, me la prendo anch’io la medicina! Het is niet doordat we artsen zijn dat we nooit pijn hebben. Als ik pijn heb, neem ik ook een medicijn!” „Non siamo mica di ferro. We zijn echt niet van ijzer.” 

Naast de pijnstillers kreeg ik nog twee te injecteren stoffen (spierverslappers?). Injecteren? Bij mijzelf? Ik dacht eerst dat mijn vrolijke huisarts een grapje maakte toen hij zo plastisch (en grijnzend) uitbeeldde dat ik geacht werd een naald in mijn dijbeen of elders te steken. Maar nee, ik moest de inhoud van twee ampullen in een naald opzuigen en dan echt bij mijzelf inspuiten. Ach, het zal wel zo’n oppervlakig prikspuitje zijn, dacht ik en glimlachte geruststellend terug. Inmiddels weet ik beter. Het bezoek aan de farmacia leverde behalve pillen en ampullen ook een doosje met ... verpakte siringhe op, heuse injectiespuiten met een naald van een paar centimeter. Vlak voor het slapengaan geen ninnananna, slaapliedje voor mij maar een ninnanaalda. Volgens Dezza slaap ik dan tenminste pijnloos en goed. Colpo della siringa!

****ZOMERACTIE: Italiaanse Toestanden is nu GRATIS te downloaden! ****
Ga naar https://www.smashwords.com/books/view/588639 en download direct als epub, mobi, pdf, kindle, kobo formaat!

dinsdag 12 juli 2016

Bloody Hitler - Berlusconi



It was like bloody Hitler!” Davids stem sloeg bijna over van opwinding. Zelfs na meer dan twintig jaar was zijn verbazing en verontwaardiging nog bijna net zo groot als op het moment dat hij het meemaakte. Als succesvolle ondernemer was David begin jaren 90 uitgenodigd om lid te worden van Forza Italia, de politieke partij van mediamagnaat Silvio Berlusconi. De nieuwe partij die ervoor zou zorgen dat de hardwerkende ondernemers niet langer gedwarsboomd werden door linkse, socialistische of communistische wurgwetten en hoge sociale lasten. Dat Forza Italia voornamelijk de economische en juridische zaken van de oprichter zou gaan behartigen, wisten de aanhangers toen nog niet. Er was sterk behoefte aan een nieuwe redder des vaderlands na de schandalen van de voorafgaande jaren waarbij gebleken was dat nagenoeg alle politici van alle partijen zich al jaren schuldig maakten aan omkoping, witwassen en zelfverrijking. Het Schone Handen Mani Pulite onderzoek roeide in een klap de hele oude kaste van politici uit. Tijd voor wat nieuws, tijd voor Berlusconi!

De nieuwe leider wist hoe hij zijn zaakjes moest aanpakken en organiseerde verschillende massabijeenkomsten waarvoor hij allerlei succesvolle ondernemers uitnodigde. Ook David, die destijds al twintig jaar in Italië werkzaam was, kreeg een invitatie en dacht: Waarom niet? De bijeenkomst vond plaats in het voetbalstadion van Silvio’s speeltje, de voetbalclub AC Milaan. Toen David er binnentrad zag hij dat het grote stadion tot de nok toe gevuld was. De bezoekers kregen allerlei tot in de puntjes verzorgd promotiemateriaal uitgereikt, vlaggetjes, foto’s van de leider, folders met de belangrijkste programmapunten, een das in de kleuren van de partij en dergelijke. Iets klopt hier niet, bedacht David, toen hij eenmaal op zijn plek zat. Maar wat? Op het voetbal veld was een groot podium gebouwd, een rode loper leidde er naartoe. Een groot televisiescherm toonde het podium van dichtbij, goed zichtbaar voor iedereen. Na een tijdje klonk er geroezemoes in het publiek dat langzaam in volume toenam. De leider was in aantocht. Op het moment dat Berlusconi het stadion betrad, barstte het publiek in een luid gejuich uit dat nog aanhield nadat Berlusconi het podium al had beklommen. Hij stak zijn rechter arm in de lucht, waarop het gejuich nog luider werd. Iedereen zwaaide met de vlaggetjes van Forza Italia. 

David zwaaide niet maar keek verbijsterd om zich heen: de nuchtere, intelligente zakenlieden die hij zag leken betoverd door het charisma van Berlusconi en lieten alle schroom varen in hun kritiekloze aanbidding van de nieuwe leider. Wegwezen, was het enige dat David dacht. Dit is Neurenberg 1933! „Hitler, bloody Hitler, that was what it was!” Thuis gooide David zijn Forza Italia das in de prullenbak. Hij is nooit meer naar zo’n meeting gegaan. In de twintig jaar die sindsdien verstreken zijn heeft de grote volksmenner weinig voor zijn volgelingen kunnen(?) uitrichten. Zijn belangrijkste verdienste is dat hij zijn media-imperium in handen heeft kunnen houden en dat hij niet in de gevangenis is beland (al is hij op de valreep, in 2014 toch nog veroordeeld tot een werkstraf en uitsluiting van politieke functies), terwijl de mannen uit zijn duistere entourage wel achter de tralies verdwenen. De drie jaar dat Berlusconi aan de macht was sinds wij in Italië wonen, van 2008 tot 2011, hield zijn regering zich alleen maar bezig met het frustreren van onderzoeken en rechtszaken die met hem te maken hadden. Het belangrijkste wapenfeit van twintig jaar Berlusconi is misschien wel de Porcellum-kieswet: een gedrocht dat alleen maar is ingevoerd om Forza Italia in 2006 de overwinning te bezorgen (wat op het nippertje niet lukte, waarna Berlusconi wekenlang weigerde de macht aan aartsrivaal Prodi over te dragen!) en dat het voor partijen bijna onmogelijk maakt om in zowel Huis van Afgevaardigden als Senaat een meerderheid te halen. Door dit vieze varken, wat de letterlijke vertaling van porcellum is, werd de toch al gebrekkige daadkracht van elke Italiaanse regering tot nul gereduceerd. Vorig jaar verklaarde het Constitutionele Hof de kieswet zelfs ongrondwettig, terwijl er al verschillende regeringen mee gekozen waren.

Het tijdperk van Silvio B. is nu echt ten einde: zijn aanhangers verlaten als ratten het zinkende schip en richten eigen splintergroeperingen op. Voormalig kroonprins Alfano regeert zelfs samen met de sociaal-democraat Renzi. De meest veelzeggende illustratie van Berlusconi’s tanende macht was voor het hele volk te zien toen er een motie van afkeuring tegen de vorige sociaal-democratische premier Letta werd ingediend. Iedereen verwachtte dat, zoals aangekondigd, Berlusconi de motie zou steunen. Maar toen hij in het parlement opstond uit zijn bankje om zijn stem te geven, durfde hij het niet aan en wees de motie af, waarna hij gedesillusioneerd op zijn stoel plofte. Iedereen was verbijsterd. De grote Macher bleek opeens machteloos. Terwijl zijn partijgenoten, even verbaasd als alle anderen, zich over hem heen bogen om hem te troosten, zag je opeens hoe oud hij was. Een tijdperk is ten einde. Een paar maanden later schoof de jonge, energieke Renzi zijn partijgenoot Letta zonder probleem aan de kant. Gaat het hem dan eindelijk wel lukken om de problemen van Italië aan te pakken?

zondag 24 april 2016

Come si legge

Come si scrive? Hoe schrijf je dat?” vroeg ik aan de rondbuikige kok en gastheer van het inmiddels helaas ter ziele gegane restaurant Il Menhir bij ons in het dorp. „Come si legge,” was het onthutsende antwoord. Ik keek Camillo aan maar bespeurde niets van ironie op zijn gezicht. Hij bedoelde het serieus. Come si legge? dacht ik, wat moet ik daar nou mee? „Hoe schrijf je dat?” „Zoals je het leest.” Een dialoog uit een absurd toneelstuk van Harold Pinter, dat was het. Ik probeerde het nog maar eens: „No, come si s-c-r-i-v-e!” Misschien had Camillo zijn antwoord als vraag bedoeld (”Hoe lees je het?”)? Nu keek Camillo op zijn beurt verbaasd. Hij had toch net antwoord gegeven, of niet? leek hij te denken. Zijn forse snor begon nors te kijken. „Come si legge!” antwoordde hij nog eens, met stemverheffing dit keer. „Ma come si legge?” probeerde ik nu maar, in wanhoop, om te kijken of dat tot een zinvoller antwoord leiden zou. Camillo richtte zich op en plaatste zijn handen in zijn zij. Zijn buik bolde vervaarlijk naar voren. Nam ik hem soms in de maling? zo leek hij te willen uitdrukken. Nou deed ik dat graag, maar deze keer wilde ik toch graag weten hoe je dat woord spelde waar we het over hadden. „Mi fa sempre morire,” zei hij nu tegen Nico, die onze discussie geamuseerd had zitten aankijken. „Hij laat me altijd sterven van het lachen.” Maar erg vrolijk keek hij nu toch niet. We lieten het er maar even bij, ik zou het woord thuis wel opzoeken. Eerst maar eens wat eten, dat was nu belangrijker. De honger naar kennis stilde ik later wel. Eenmaal thuis keek ik in het woordenboek gelijk ook maar even bij „leggere”. Wat bleek: come si legge betekent hetzelfde wat wij uitdrukken met „zoals je het uitspreekt”. Dat wat je antwoordt op de vraag hoe je een woord schrijft. Hoe schrijf je dat? Zoals je het leest. Gekke Italianen, die woorden schrijven zoals ze ze lezen.

zondag 27 maart 2016

MonteGoedZo



Sono due armadi,” zei Roberto tegen ons, „het zijn twee klerenkasten.” Hij had het over de broers die het wijnbedrijf Monteguzzo runden, waar Roberto veel van de wijn voor zijn voormalige restaurant Amici Miei haalde. „Het zijn heel vriendelijke mannen hoor, maar als je ze voor het eerst ziet schrik je misschien wel. Ik ben al niet klein, maar vergeleken bij die twee ...,” vervolgde hij. Wijn maken konden ze in ieder geval wel, zo merkten we als Roberto ons weer eens een van de pareltjes van Monteguzzo schonk.  Maar in al die jaren dat we hier woonden en ook nadat Roberto ons met de wijn van de broers had laten kennismaken, waren we nog nooit bij het wijnbedrijf op bezoek geweest. Dat terwijl het nog wel aan de provinciale weg naar Broni lag en we er al honderden, misschien wel duizenden keren langsgekomen waren. Nu liggen er langs deze weg vele verschillende wijnboeren die net als Monteguzzo ’aan huis’ verkopen en die allemaal van het type ’verkoop in de schuur’ zijn. Er is geen klantvriendelijke ontvangstruimte of speciaal proeflokaal, nee, je stapt bij dit soort wijnbedrijven een grote fabrieksruimte binnen in de hoop daar tussen de aluminium vaten, botteliermachines, kartonnen dozen en allerlei los rondslingerend materiaal een vriendelijke druivenperser aan te treffen die je te woord wil staan en eventueel een glaasje voor je inschenkt. 

De entree bij zo’n basic bedrijf vergt dus een beetje moed (of heftige dorst), zodat, gemakzuchtig als we zijn, wij altijd doorreden naar de Cantina Sociale, die iets verderop langs dezelfde weg gelegen is. In deze wijnsupermarkt kun je met je winkelwagentje gewoon zelf dozen inladen zonder afhankelijk te zijn van enge Italianen. Bovendien waren de prijzen hier wel heel gunstig: €2,50 per fles voor een heel drinkbare wijn die je doordeweeks zonder gewetensbezwaar en pijn in de achterzak kunt wegslobberen. De rosato was zelfs erg goed en bij enkele nationale proeverijen in de prijzen gevallen. De duurdere kwaliteitswijn dronken we dan wel in een restaurant of als we bij een ander op visite waren (de Nederlandse zuinigheid komt ons soms nog goed van pas).  Aan deze zorgeloze situatie kwam helaas een abrupt einde toen in de Provincia Pavese alarmerende berichten verschenen over vermeende illegale activiteiten bij de cantina. Malversaties waarbij niet alleen sprake was van belastingontduiking (bij een medewerker trof de guardia di finanza bij een inval een tas met 300.000 euro in contanten aan; commentaar van de medewerker: ik weet ook niet waar die tas vandaan komt, toen ik laatst thuiskwam stond hij er opeens), maar ook van geknoei met de wijn zelf. De pinot grigio, die meer kostte dan de andere soorten (en die wij dus nooit kochten), bleek voor een deel van goedkopere druiven te zijn gemaakt. God mocht weten wat er allemaal nog meer was geknoeid, vroegen wij ons meteen af. Wat hadden we de afgelopen jaren eigenlijk, in aanzienlijke hoeveelheden, naar binnen gegoten? En wat hadden we al onze gasten zo gastvrij als welkomstwijntje toegediend? De politie had genoeg twijfels en sloot de tent. „Gesloten wegens vakantie,” loog een geel bordje olijk op het dichte toegangshek. Er stond nog net geen smiley bij. Illegale activiteiten in Italië moet je met een beetje humor bezien, anders heb je geen leven meer. 

 














De affaire kwam voor ons, buitenstaanders, als een donderslag bij heldere hemel, want het leek de laatste jaren met de coöperatie zo goed te gaan. Ieder jaar breidde de cantina uit en verschenen er nog meer blinkende aluminium vaten naast gloednieuwe bakstenen hallen van enorme afmetingen. Nog maar een paar maanden voordat de affaire losbrak, had de cantina een bod gedaan op La Versa, de veel beroemdere coöperatie van de wijnboeren rond Santa Maria della Versa, die op de rand van een faillissement verkeerde. Dat bod wees La Versa af, wat ons in eerste instantie onbegrijpelijk voorkwam, maar achteraf dus heel verstandig bleek. Wisten de bestuurders van La Versa al meer dan openlijk bekend was? Ook Roberto had ons wel eens wat van zijn twijfels over de cantina laten merken, maar dat hadden we als vage samenzweringsroddels terzijde geschoven: die Italianen met hun eeuwige complottheorieën en geheime krachten die onzichtbaar aan de touwtjes trokken, dat kenden we nu wel. 


Wat moesten we nu? Onze voorraad van de bedenkelijke cantina wijn slonk gestaag (we dronken het toch maar op, want weggooien is sund, zegt de Hollander). We moesten toch maar eens bij een van de kleinere wijnmakers op bezoek, maar zouden we de confrontatie met de armadi aandurven? Telkens als ik op weg naar Broni de schuur van Monteguzzo zag liggen, was deze dicht. Welke gruwelen lagen daarachter verborgen? Ik durfde nog niet. Ik kocht voorlopig nog maar wat losse flesjes bij de supermarkt, met als excuus dat je veel verschillende soorten wijn moet leren kennen. Ik had immers niet voor niets voor sommelier gestudeerd! Maar stiekem verlangde ik naar de lekkernijen van Monteguzzo. Op een gegeven moment was het geluk met ons: bij het diner aan huis dat we met Roberto en Antonica voor onze gasten organiseerden (zolang zij geen nieuw restaurant hadden gevonden, leek zo’n diner een leuke manier om onze gasten met de kookkunst van Antonica te laten kennismaken), wilde Roberto de wijn van Monteguzzo schenken. Hij zou er langsgaan om verschillende soorten te kopen, rood, wit, jong, oud, plat of bruisend, droog of zoet, voor elk wat wils. Dat was de gelegenheid om zonder gevaar kennis te gaan maken met de wijnreuzen: ik ging mee! Vooraf moest je wel altijd bellen, vertelde Roberto mij, want overdag zijn ze veel weg: aan het werk in de wijngaard of bestellingen aan het afleveren. Zie je wel, suste mijn geweten, het had helemaal geen zin gehad om er zelf zomaar langs te gaan. Alsof dat de reden was geweest dat ik Monteguzzo al die tijd gemeden had. 


Een van onze gasten die van de maaltijd ging genieten, wilde ook graag mee om te proeven. Het was Andrej, een Rus, die met zijn dochter en een vriendin van haar bij ons logeerde in verband met de wereldhondententoonstelling in Milaan. Ze hadden drie prachtige whippets bij zich, die ook in de prijzen vielen. Russen en drank, wat kon dat worden? Andrej had als cadeau al de beste wodka van Moskou voor ons meegenomen, dus hij wist van alcoholische wanten. Dachten we. Veel woorden hadden we niet met hem kunnen wisselen, want zijn Engelse woordenschat beperkte zijn repertoire tot „Very good! Very good!”, iets wat hij op ongeveer alles wat wij zeiden als antwoord gaf. 

Toen we bij de schuur van Monteguzzo aankwamen, was de grote deur opengeschoven. Ze waren voorbereid, zoals ook bleek uit de lange tafel bij de ingang, die vol stond met tientallen flessen met daarin alle soorten druivensap die Monteguzzo maakte. Dat waren er veel. Verder was het binnen een grote vlakte met dozen, pallets, vaten, een vorkheftruck, een etiketteermachine: precies wat ik verwacht had. Achter de tafel stond een van de twee armadi, inderdaad een reus van een kerel: twee meter lang en breed als een ... klerenkast. Maar hij lachte breeduit (de GVR?) en vroeg meteen wat we proberen wilden. Op advies van Roberto begonnen we met de spumante, de champagne of prosecco van de Oltrepo. Hoewel, ’de’ spumante? Alleen daarvan had Monteguzzo er al vier: de roze Cruasé, een jonge frisse Corto en twee superlekkere wat rijpere witte. We probeerden alle vier, want we waren er nu toch en aan uitspugen deden we niet. De klerenkast Alberto schonk niet zuinig ook en als je je glas leeg neerzette, vulde hij meteen bij. Oeps, dat ging wel erg hard. Tot onze verrassing was Andrej niet zo enthousiast als wij over de schuimwijntjes. Hij hield natuurlijk van het straffere, hoogalcoholische werk, dachten we. 

Roberto stelde voor om wat witte wijn te proberen, zoals een Pinot Nero, Riesling, Chardonnay,... Ho, ho, Roberto, riepen wij: op deze manier komen we aan rood niet meer toe. Althans niet bij volledig bewustzijn! Oké, dan proberen we alleen de Dolcefuoco, een Riesling Renano, zei Roberto. Die kenden we al uit de tijd van Amici Miei, maar wilden we gerust nog wel eens testen: in de herhaling herkent men de meester, of hoe was het ook al weer? Ik ging even op een paar dozen zitten, want de schuur leek wel te bewegen. Slechte constructie natuurlijk, een Torti klus. Waar was ik? Het zoete vuur smaakte nog steeds goed, maar Andrej was nog steeds niet door de alcoholfee bekoord. Bij mijn tweede glas verscheen er een tweede reus in de ingang van de schuur. Door het felle zonlicht buiten zag ik alleen zijn silhouet. Was het Alberto of een ander? Zag ik inmiddels dubbel? Maar nee, toen hij binnen was, zag ik dat dit de broer moest zijn, nog iets breder dan Alberto. Zijn ouders hadden hem Massimo gedoopt, kennelijk in de hoop de geboortegoden te bezweren zodat een eventuele volgende koter niet nog groter zou worden. 

Over op rood. Niet het signaal om te stoppen, maar om nog een flinke eindsprint in te zetten, want van rode wijn heeft Monteguzzo een Bonarda, een Barbera, een Rosso, een Buttafuoco, een Pinot Nero en een Sangue di Giuda. Poeh. Gelukkig konden we die laatste afstrepen want dat judasbloed was weliswaar een streekspecialiteit maar ook zo zoet dat het rode vocht aan je tanden bleef kleven. Gatver. En dan ook maar 11% alcohol, nauwelijks de moeite van het inslikken waard. Nee, dan klonken de buttafuoco en pinot nero met 14% interessanter. Na een paar glaasjes van deze inderdaad heerlijke wijnen, lukte het ons niet meer om onderscheid te maken en bestelden we een doosje van elk. En van de twee rijpere spumantes. En van de witte Riesling

Ach, Andrej, we waren hem bijna vergeten. "Koop jij ook wat wijn als cadeau voor al je Russische vrienden?" vroegen we uitdagend. Andrej keek bedenkelijk. Hij vond de wijnen die hij geproefd had allemaal te zwaar, bekende hij. „Een Sangue di Giuda dan?” probeerde Alberto in een wanhoopspoging om toch voet aan de grond te krijgen in de Russische afzetmarkt. „Nee!” riepen wij in koor, „dat is toch niks voor die Russen, zo’n zoete dameswijn!” Maar Andrej wilde het wel eens proberen. Wij pasten beleefd en keken vol afgrijzen toe hoe Andrej het kleverige goedje naar binnen goot. Tot onze verbijstering klaarde zijn gezicht abrupt op. Dit was fantastisch, met deze wijn kon hij wel in Moskou aankomen! Ja, doe maar een doosje van deze, zes flessen. Terwijl Alberto naar achteren ging om het doosje te halen, schonk Andrej nog eens bij. Ohhhh, wat vond hij het lekker, het spatte van zijn gezicht af. „Very good! Very good!” riep hij steeds en toen Alberto met het doosje terugkwam, zei Andrej: „Another twelve! Another twelve!” Oké, knikte Alberto en hij verdween weer. Andrej schonk weer bij, de fles was nu half leeg, zagen we. En na nog wat very good’s stuurde hij Alberto voor de derde keer terug om nog eens een doosje van twaalf te halen. Onze Rus ging uiteindelijk met dertig flessen weg, alleen maar de mierzoete, in onze ogen slappe Sangue di Giuda. Nou ja, die hoefden wij dan alvast niet meer te drinken. En als hij heel Moskou nou ook nog aan deze wijn kreeg, dan waren wij het mooi kwijt. Very good, very good!