Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


dinsdag 25 augustus 2015

Hittegolf



De zomer van 2014 kwam maar niet op gang en was nat en koel. De gemiddelde temperatuur kwam in juli niet boven de 21 graden uit (normaal 24). Het was Bijna Nederland! In september wisten de wijnboeren dan ook niet meer wat ze met de druiven aanmoesten: oogsten terwijl het suikergehalte nog te laag was (en de wijn dus een lager alcoholpercentage zou krijgen, later suiker toevoegen is bij wet verboden) of nog laten hangen waarbij een deel dan intussen door schimmels wordt aangetast? Een keuze uit twee kwaden. Nee, 2014 was voor de wijn geen topjaar.

Maar dan 2015! De weergoden nemen revanche! Na een heel zachte winter met maar een klein laagje natte sneeuw sloegen we de lente haast over. Het was al vroeg in het jaar warm en sinds half juni wijst de thermometer alleen nog maar maximale waarden van boven de 30 aan. Volgens het weerstation van de Centro Meteorologico Lombarda dat in onze tuin staat (waarden af te lezen op de site www.centrometeolombardo.com ), is de hoogste waarde die de afgelopen jaren (sinds 2011) bereikt is 36,2 graden (op xx juli 2012). Als de voorspellingen uitkomen dan gaan we daar dit jaar overheen. Het gemiddelde van juli komt dit jaar sowieso veel hoger uit, misschien wel tegen de 28.

Voor de druiven betekent dit dat de groei voorspoedig verloopt. De wortels van deze plant gaan zo diep dat er nooit water gegeven hoeft te worden. Een enkele onweersbui brengt genoeg water om de ontwikkeling van de zoete vruchten niet te doen stagneren. En daar begint het nu wel een beetje te knellen: de laatste regen dateert van ruim een maand geleden. Dus beginnen de boeren te klagen want er moet altijd wat te klagen blijven. Het zal wel los lopen, denken wij dan, gewend aan het eeuwige gemopper van de Italiaan over het weer: te koud, te veel sneeuw, te nat, te warm, te droog. Het lijken wel N..........


We kijken vanaf ons terras belangstellend toe hoe de druiven zwellen en zijn benieuwd of we nu zelf zullen meemaken wat er in 2007 gebeurde. Toen waren we begin september even in de Oltrepò en viel het ons op dat er al geen trosje meer aan de stuiken hing. Na een heel erg hete zomer was alles in augustus al geoogst! Vanaf onze observatiepost met vrij uitzicht over de hellingen zien we nu dat de planten er vol en vetgroen uitzien: een prachtig gezicht. Bovendien is het heel rustig want de activiteiten in de wijngaarden zijn nagenoeg stilgevallen. Als het warm en droog is, groeit het onkruid niet en ontstaan er geen schimmels dus wordt er niet gewied en niet gespoten. En in dit jaargetij stopt de plant alle zonne-energie in de groei van de druiven en niet in nieuw blad zodat verdere snoei ook niet nodig is. De meeste seizoensarbeiders zijn even met verlof gestuurd om als de oogst aanstaande is hun intrek in hun tijdelijke woonvertrekken weer in te nemen.

Zelf vallen we ook stil en gaan in de hitteoverlevingsstand. Nu begrijp je opeens waarom de siësta uitgevonden is. Als je nog werk wil verzetten, moet je er vroeg op de dag bij zijn of moet je wachten tot de avond valt. En er is voor ons wel werk te verzetten want in tegenstelling tot de wijngaarden heeft onze tuin wel behoefte aan water. Sproeien dus, iedere dag weer, als je wilt dat je met veel moeite gecreëerde bloemenparadijs de zomer overleeft. Gelukkig nemen enkele slimme irrigatiesysteempjes wat werk uit handen en kunnen de meeste inheemse planten wel tegen een (klein) stootje. Mediterrane kruiden zijn wel wat ontberingen gewend en ook rozen houden het hier lang vol, net als siergrassen. Na de nodige studie-uurtjes ontdekte ik dat vooral prairieplanten ons klimaat goed aankunnen. Oleanders natuurlijk, niet alleen in potten maar ook in de volle grond. Irissen in alle kleuren van de regenboog, zelfs blauw. En verschillende vruchtdragende planten zoals vijgen en granaatappels en vooral pruimen. De jam voor de B&B gasten is gereed! De moestuin heeft helaas het onderspit moeten delven, na een overvloedige oogst aan tuinbonen en een paar courgettes. De tomaten zijn weer eens aangetast: de beruchte zwarte vlek is aan de onderkant verschenen. Gelukkig hebben we nog steeds passata uit roemrijker jaren.

Het is bijna vijf uur ofwel de klok ligt in de vijver zoals we hier ter stede zeggen. Tijd voor de aperitivo. We openen maar eens een heerlijke spumante van het wijnhuis Monteguzzo (uit te spreken als Monte Goedzo) hier uit de buurt, zie www.monteguzzowines.it  . Een Camillion bijvoorbeeld, gemaakt van de pinot nero druif waarmee de meeste hellingen hier bekleed liggen en gegist op de fles. Champagne dus eigenlijk al mag het niet zo heten. Wat maakt het uit hoe het heet, het is topkwaliteit voor een spotprijs. Salute en cin cin. Op een goed wijnjaar!

zondag 26 juli 2015

Prima visita



Ik zie twee vuilgele rubberen handschoenen op een van de stoeltjes in de wachtruimte liggen. Dat voorspelt niet veel goeds. Hoe hygiënisch werkt men in Italiaanse ziekenhuizen eigenlijk? Uit de zich in mijn geheugen bevindende verzameling rampverhalen over de gezondheidszorg in Italië duikt spontaan de affaire van het ziekenhuis in Rome op. Daar had men jaren geleden per ongeluk een paar aansluitingen in de kelder verwisseld waarna de bedden van een hele afdeling intensive care opeens „vrijkwamen”. Ook schieten mij de waarschuwingen van een paar van onze Italiaanse kennissen te binnen: „Zit je bij de ASL? Die laten je gewoon doodgaan hoor!” De ASL is het Italiaanse ziekenfonds, vooral bekend van bureaucratie en inefficiëntie. En sterfgevallen dus volgens de ons verschrikt toesprekende 'local experts'. Maar wij laten ons niet zo gauw intimideren door die bange en door gezondheid geobsedeerde zuiderlingen. Een spatje regen, een zuchtje wind, een beetje kou en deze hypochonders denken dat ze al met een been in het graf staan. Italianen denken vanaf hun geboorte aan niets anders dan doodgaan. 

Maar nu zit ik hier toch maar, zie die tuinhandschoenen, ontworpen voor het diepere spitwerk en piep een klein beetje anders. Het is een prima visita, een eerste consult bij de uroloog voor het typische oudere mannenkwaaltje: plasproblemen. Het ziekenhuis ziet er al niet erg bemoedigend uit: de gebruikelijke oude en slecht onderhouden zooi die je in alle Italiaanse overheidsgebouwen aantreft. Gammele, steevast olijfgroen geverfde deuren, afgekloven tafels en stoelen, rammelende ruiten met afgebladderde roestig ijzeren kozijnen en her en der met tape beplakte barsten en verder nauwelijks voorzieningen. Een flesje water zou toch wel handig zijn met deze hitte (midzomer 33 graden buiten, 37 binnen) maar de hypermoderne automaat die het levensreddende vocht zou moeten verstrekken, is leeg. Niet bijgevuld. En de overheid maar benadrukken dat het met deze hitte zo belangrijk is om te blijven drinken. 


Ik was veel te vroeg want bij een eerste bezoek weet je nooit hoeveel tijd het allemaal kost en je wilt er wel zeker van zijn dat je bij de eigenlijke arts op tijd bent. Eerst moet je langs het CUP, het Centro Unico di Prenotazione, om je ticket, de eigen bijdrage te betalen. Het begrip unico zie je wel vaker bij officiële zaken opduiken en betekent dat er vroeger verschillende centra(!) zijn geweest maar dat de overheid de bureaucratie een fatale slag heeft toegebracht door die centra samen te brengen. Zou het? Het wachten voor de loketten van het CUP kan afhankelijk van seizoen, dag van de week en uur van de dag nog steeds aardig wat tijd vergen. Ook de zaal van het CUP van het Ospedale di Voghera is op een massa gezondheidsbehoeftigen berekend. Er zijn wel zeven loketten (op dit uur nog met door luxaflex geblindeerde raampjes) en lange rijen met stoelen. Ook is er een nummertjesmachine. Als ik om half acht binnenkom, is er nog niemand. Ik trek maar alvast een nummertje: 57. Hopelijk beginnen ze straks niet met 1. Uit de met informatie-A4tjes volgehangen loketwanden maak ik op dat de intake pas om acht uur begint. Gelukkig ligt er tegenover het ziekenhuis een café (wie had anders verwacht?) waar ik even een lungo kan gaan drinken. Jammer genoeg is dit een krantloos lokaal dus ben ik al snel weer terug in de wachtzaal. Inmiddels zit er een andere patiënt, op de achterste rij. Hij beantwoordt mijn groet niet. Maleducato, denk ik. 


Nog een kwartiertje wachten. Geleidelijk druppelen er nog wat klanten binnen. Ze trekken allemaal hun nummertje. Ik ben dus zeker de eerste, of beter: ik ben de eerste twee want doordat ik te hard had getrokken, kreeg ik nummer 57 én 58 in handen. De ouwe chagrijn die na mij komt, zal dus nog een fractie langer moeten wachten, tot duidelijk is dat nummer 58 niet meer geïnteresseerd is. Dat zal hem leren. De luxaflexen blijven nog omlaag maar ik zie achter een aantal raampjes wel wat handen die druk bezig zijn rollen met muntjes klaar te leggen. Wisselgeld. Hoeveel zal mijn ticket dit keer kosten? vraag ik me af. Maar wacht, daar gaat de eerste luxaflex omhoog. Erachter vandaan verschijnt een niet onknappe jongeman die meteen „Il primo!” roept. Fout natuurlijk want hij moet een nummer roepen en dat ook op het digitale schermpje boven zijn loket laten verschijnen. Mijn oude concurrent staat met een voor een hulpbehoevende patiënt verbazingwekkende snelheid op en is al bij het loket voor ik nog maar naar adem heb kunnen happen. Maar nu maak ik ook aanstalten om naar het loket te gaan. De jongeman ziet de verwarring en roept gauw (in paniek?) „Numero 57!” een nummer dat tegelijkertijd ook onverbiddelijk in rode led-lichten boven zijn hoofd verschijnt. Ik steek mijn arm met mijn nummertje, het bewijsstuk, naar voren. De oude atleet begint tegen mij te mopperen. „Hoe kan het dat u een lager nummer heeft?” vraagt hij ongelovig, „Ik was hier als eerste.” „Nee, ik was er al om half acht,” antwoord ik glimlachend. Boos kijkt de norse man mij aan. „Dus daarna bent u weer weggegaan!” zegt hij bestraffend. „Ja, ik ben even koffie gaan drinken,” zeg ik nonchalant. „Mooi is dat, dan kom ik in het vervolg al de avond ervoor om een nummer te trekken!” roept hij nu verontwaardigd uit en kijkt daarbij vragend naar de jonge lokettist. Die pakt echter mijn papieren en begint mijn gegevens in te voeren. De oude man druipt mopperend af. „Nummer 58” hoor ik vanuit een loket verderop dat kennelijk ook net is opengegaan. Hij vangt weer bot, denk ik vals, maar als Niemand zich meldt is de oude hork toch aan de beurt. Vanaf mijn plek hoor ik hem nog doorgaan met klagen tegen de andere lokettist. 


„Alles oké, dat is dan 28,60 euro,” zegt de mooie loketjongen en geeft me mijn papieren terug. „De afdeling Urologie is op de eerste verdieping,” vervolgt hij. Shit, hij weet natuurlijk waarvoor ik kom, denk ik beteuterd, privacy ho maar, ondanks alle officiële regeltjes die hierover op alle documenten. Zie ik daar een vluchtige glimlach om de mond van mijn lokettist? Prostaatklantje zal hij wel denken, besef ik en druip verslagen af. Mijn mopperaar was sneller klaar en is niet meer in de zaal te bekennen. Misschien zie ik hem zo weer bij urologie, denk ik nog, maar nee. In het wachtgedeelte bij de plasdokter is er wel een andere patiënt die mij vriendelijk groet. Lotgenoten onderelkaar? Gezamenlijk leed verbroedert. Ook hier moeten we wachten want het doktersconsult begint pas om half negen. Twee doktersassistentes lopen af en aan, openen kamers, rommelen daar wat, brengen en halen dossiers, sluiten kamers af en gaan weer weg. De een doet dit zuchtend en met serieuze blik, de ander slenterend en verveeld. Het lijkt erop dat de tweede zich telkens opmaakt om iets te gaan verrichten en dan ontdekt dat de ander dat al gedaan heeft. Overbodig personeel? Stille werkloosheid? Op een van de stoelen zie ik de handschoenen liggen.


De zuchtende zuster dribbelt weer de wachtruimte binnen, neemt de rubberen handschoenen weg en loopt ermee naar de kamer waar in grote letters „Dermatologie” op staat. „Hier vindt straks het onderzoek plaats,” roept ze naar de wachtenden bij urologie. Ons groepje heeft zich tot een man of vijf uitgebreid. Hebben die allemaal een afspraak om half negen? vraag ik me bezorgd af. Zo te zien is er maar één behandelruimte in voorbereiding. „De dokter komt zo,” hoor ik de assistente zeggen. Ze verlaat de behandelkamer. Zonder handschoenen. Wij wachten. Bij een van de mannen gaat voortdurend  zijn mobiele telefoon af. Drukbezet zeker. Hij kijkt ongeduldig om zich heen en begint wat tegen zijn vrouw te mopperen. Zijn been wipt zenuwachtig op en neer. Het is al over half negen. De man kan zijn onrust niet meer bedwingen en loopt naar de deur van de behandelkamer om opstandig het informatieblaadje met de behandeluren te bekijken, waarop informatie staat die hij allang in zijn hoofd geprent had. Behandeltijd maandag t/m vrijdag van 8:30 tot 12 uur. De man kijkt er een tijdje streng naar, alsof hij het begin van het consult op die manier kan afdwingen maar er verschijnt geen arts en de deur blijft dicht. De man gaat weer zitten. 

Om kwart voor negen komt de serieuze zuster weer aanlopen en roept enigszins verwilderd: „De dokter is onderweg! Ik neem vast uw verwijsbriefjes in zodat de dokter meteen kan beginnen als hij arriveert.” Ons groepje is intussen uitgedijd tot zeven personen. De zuster verdwijnt met de stapel briefjes in de behandelkamer en blijft vijf minuten weg. Ze komt tevoorschijn en loopt weer weg waarbij de deur deze keer openblijft. Ik zie een soort kamerscherm. Daarachter vermoed ik de tafel waarop de „prima visitatie” ongetwijfeld plaats zal vinden. Ik slik. Na nog eens tien minuten verschijnt er een slordig gekapte en ongeschoren man in wapperende witte jas. Hij snelt zonder op of om te kijken tussen de wachtenden door naar de behandelkamer. Is dit de arts? We horen hem mopperen. Hij loopt de kamer weer uit en begint in de naastgelegen wachtruimte heftig te discussiëren met de slenterzuster. Die geeft geen krimp maar komt even later toch achter hem aangesjokt om hem te assisteren. 

„Smoelderssss?” hoor ik haar even later roepen. Ik ben als eerste aan de „beurt”! De ongeduldige man kijkt me chagrijnig aan terwijl ik langs hem heen flaneer. Nu loop ik nog soepel. De arts zit achter een pc verwoed te typen. Hij kijkt niet op of om, gromt wat en wijst naar de behandeltafel waar ik kennelijk gestrekt op moet plaatsnemen. Er volgen wat staccatovragen (“Leeftijd?” “Allergieën?” “Medicijnen?”). Zodra hij mijn antwoorden heeft ingetypt, staat de arts op, gebaart de invalassistente naast mij plaats te nemen en gromt dat ik mijn broek naar beneden moet trekken. Hij voelt wat aan penis en ballen en commandeert me mijn knieën op te trekken. Hij trekt een handschoen aan. Ik kan niet goed zien of dat een van die uit de wachtruimte is. De zuster heeft een tube gepakt en knijpt er een vloeistof uit over de vingers van de arts. Voor ij het weet zit hij al met twee vingers in me, heeft hij even gedrukt en gewroet en hoppa is hij er al weer uit. Ik kan me weer aankleden. Ik sta even daarna weer achter zijn pc. Hij kijkt me nog steeds niet aan. De andere zuster komt binnen, excuses makend dat ze dringend ergens anders moest zijn. De andere gaat weg. „Si accomodi! Gaat u toch zitten!” zegt ze. Eindelijk menselijk contact.

Ten slotte overhandigt de medicus mij het geprinte resultaat van al zijn typewerk. Prostaat normaal, zie ik in een flits. Echografie van de urinewegen nodig. Ik pak het aan en zie warempel een minzaam glimlachje op het gezicht van de „analist” verschijnen. „Eerst naar de huisarts,” beveelt hij. “Bloed- en urineonderzoek.” “Maar dat is al gedaan,” reageer ik verbaasd en haal de analyseresultaten te voorschijn. De mini-glimlach is alweer van het gezicht van mijn uroloog afgegleden. “Resultaten van eerder onderzoek moet u aan het begin meteen laten zien!” zegt hij bars. “Ja maar u heeft toch niks gevraagd,” aarzel ik timide en kijk de assistente beteuterd aan. “Resultaten moet u altijd eerst laten zien,” zegt ze ook, maar met een vergiffenisvolle blik. Als ik een dag later voor het bureau van Dezza verschijn en hij mijn briefje leest, begint hij te lachen. „Ah, Maurizio,” zegt hij en trekt een veelbetekenende blik. „Hoe was dat?” Ik maak duidelijk dat de visitatie nogal ruw was en nauwelijks 10 seconden duurde. „Ah, si, è un chirurgo,” antwoordt Dezza glimlachend en zijn ogen twinkelen weer eens. “Chirurgen zijn nogal kort van stof en ruw van handeling.”

 Voor meer Italiaanse Toestanden: lees mijn boek!

maandag 22 juni 2015

Hogesnelheidslijn



Op dit moment buigt de enquêtecommissie van de Tweede Kamer zich in Nederland over het debacle van de Fyra, de door het Italiaanse bedrijf Ansaldo Breda geleverde flitstrein die tijdens haar ’maiden trip’ al uit elkaar viel. Maar ook wij hebben ons eigen hogesnelheidsdrama achter de rug. In dit geval betrof het over de virtuele snelweg, het Internet. Wat zouden we moeten zonder Internet? Voor een bedrijf als het onze, een B&B die afhankelijk is van individuele reizigers, is het ontbreken van een verbinding met het ’world wide web’ een ramp. De meeste boekingen komen per email binnen ten slotte.

In onze beginjaren (vanaf 2008) behielpen we ons met het bureaucratische staatsbedrijf Telecom Italia dat zelf al niet bekend staat om haar snelheid. En ook de internetlijn die ze bood, was ronduit traag en wat nog erger is, onbetrouwbaar. Het geringste regenbuitje deed de verbinding haperen en dat kon gerust een dag duren. Nog een geluk dat het in Italie vaak droog is! Bellen over zo’n storing had meestal weinig zin want de van niets wetende telefonisten in de centrale begonnen altijd vanaf nul zonder de historie van jouw probleem te bekijken: „Zit de stekker er wel in?”. In geval van hoge nood gingen we dan wel eens naar onze ’fratelli’ in het dorp (zie de verhalen in mijn boek): hun verbinding deed het altijd en we mochten daar altijd wel even onze mail bekijken.
Als we wel verbinding hadden dan moesten we het doen met een ook toen al lachwekkende 600kbit/s. Of beter gezegd: met hooguit de helft. Geen ’Uitzending Gemist’ voor deze expats! Italie staat niet voor niets (ook in 2015 nog) onder Albanië als het gaat om de gemiddelde downloadsnelheid per aansluiting. Iedere dag werden we ondertussen gebeld door de concurrenten van Telecom Italia met beloftes van een hogere internetsnelheid. Die ze helemaal niet konden leveren want de bottleneck was de verouderde telefooncentrale van Telecom en van die centrale waren ook de concurrenten afhankelijk. We bleven dus maar knarsetandend zitten waar we zaten. Totdat er opeens op de mededelingenborden die overal staan opgesteld (vooral bedoeld voor de  overlijdensberichten) grote reclameposters verschenen van het bedrijf Fastcon dat Internet via straalverbinding aanbood, Onafhankelijk van de gammele telefoonlijnen van Telecom Italia! Snelheden tot wel 8Mbit/s waren mogelijk, schreeuwde de poster. Een technicus van het bedrijf beloofde ons dat er geen storingen konden optreden want vanaf de straalzender ging jouw data direct de hogesnelheidsweg op (in plaats van de bietenbrug van Telecom). We besloten de gok te wagen. Op het dak kwam een extra schoteltje te staan en een kabeltje verbond dat met een kastje naast onze pc. Het werkte uitstekend, we hadden gemiddeld zo’n 2Mbit/s en er waren nauwelijks storingen. Ruim twee jaar lang ging het goed maar daarna kwam de klad erin. Ondanks de toegezegde directe toegang tot de snelweg waren er steeds meer storingen die ook steeds langer duurden en nam ook de gemiddelde snelheid geleidelijk af. Bellen met de technische dienst had slechts tijdelijk effect. 
Tijd voor iets anders! Een Italiaanse vergelijkingssite van internetproviders wees Tiscali als meest klantvriendelijke bedrijf aan. Bovendien bood dit bedrijf een hogere snelheid tegen een veel lager maandtarief. Fastcon was duidelijk te lang op het oude prijsniveau blijven steken. Dus zegden we dat abonnement maar snel op voordat we de volgende termijn van twee maanden zouden moeten betalen. Een nieuwe aansluiting zou toch niet al te lang op zich laten wachten? Met de klantenservice van Tiscali konden we trouwens via Twitter communiceren, de moderne tijd staat voor niets. Via een open en dus voor iedereen leesbaar kanaal weliswaar maar goed. Het contract was snel getekend en binnen 20 dagen zou er een technicus langskomen om de benodigde apparatuur te installeren. Eindelijk weer een vaste telefoonlijn in plaats van de VOIP van Fastcon die nooit goed gefunctioneerd had! Merkwaardig genoeg bleef de internetverbinding via Fastcon wel actief ondanks onze opzegging en zo konden we constateren dat de betrouwbaarheid van die ’service’ slechter en slechter werd. Hele dagen achterelkaar was er geen verbinding meer en dachten we dat we nu toch echt afgekoppeld waren totdat internet toch opeens weer tot leven kwam, voor een paar uur. Zo wisten we in ieder geval dat we een juiste beslissing genomen hadden! 
De nieuwe internetlijn bleef langer uit dan gedacht. De twintig dagen verstreken zonder dat zich een technicus meldde. De Twitter-helpdesk maar eens gecontacteerd. „De technicus heeft u niet kunnen bereiken,” was het antwoord. „Ik heb de aanvraag geheractiveerd.” „Maar wat betekent dat? Ik heb helemaal geen registratie van een mislukt telefoontje op mijn mobiel.” „Dat betekent dat u weer 20 dagen moet wachten.” „Maar ik wil geen heractivering, ik wil dat de technicus langskomt!” „Helaas, ik kan de heractivering niet meer terugdraaien.” Zucht. Nadat het de technicus de volgende twintig dagen weer niet gelukt was ons te bereiken en onze helptweeter niets anders wist te verzinnen dan nog weer een heractivering hebben we het opgegeven. „Schrapt u het contract maar,” tweetten we doodleuk terug. „Oké, dat is geen probleem, ik heb het al gecanceld.” En zo heeft Tiscali een potentiële klant minder en kan de hele wereld meelezen waarom. Hoe maakt zo’n bedrijf ooit winst?
Na een korte adempauze, Fastcon was af en toe nog actief, raapten we onze moed weer bij elkaar en kozen we wanhopig voor Infostrada, het enige andere bedrijf dat geen honderden euro aansluitkosten in rekening bracht. We tekenden weer braaf een contract dat ons per email was toegestuurd. Terugsturen per mail dat kon niet, het moest per fax. Fax? Is dat niet dat communicatiemedium uit de jaren tachtig? En zo’n bedrijf zegt in de modernste internetcommunicatie gespecialiseerd te zijn? Onze twijfels groeiden. De eerste fax mislukte want we hadden met blauwe inkt ondertekend en dat kwam niet over. De tweede poging slaagde en we kregen per mail (!) een klantnummer waarmee we konden inloggen op onze speciale klantpagina op de website van Infostrada. Daar lazen we dat de installatie over 30 dagen plaats zou vinden. Dertig??? Moedeloos en machteloos legden we ons teleurgesteld neer bij deze termijn. Er viel toch niets aan te doen.


De maand verstreek. Op onze klantpagina verschenen bemoedigende teksten die berichtten dat alles volgens plan verliep en het modem zelfs al verstuurd was. Toen het einde van de maand naderde en er nog steeds geen modem gearriveerd was, belden we toch maar eens voor de zekerheid met de klantenservice. Een paar trommelvliesverscheurende wachtmuziekjes verder kregen we een assistent aan de lijn. Die zat duidelijk in een overbevolkt callcenter in Zuid-Italie. Toch wist hij te vertellen dat de technicus met modem over drie dagen verschijnen zou. Woensdag kwam hij gegarandeerd. De woensdag zou onopgemerkt voorbijgegaan zijn als Fastcon niet uitgerekend op die dag weer tot leven gekomen was, voor het eerst sinds weken. Een laatste stuiptrekking? Maar de beloofde technicus verscheen niet. Op onze klantpagina was de installatiedatum opeens vervangen door de bewering dat alles volgens plan verliep. Dus maar weer eens bellen. „Eh ja, ik kijk het even na.” Geroezemoes op de achtergrond. „U heeft het verkeerde contract getekend.” „Nee, dat kan niet, jullie hebben me het zelf gestuurd!” „Eh, ik kijk het even na.” Geroezemoes. „Ja, ik zie het, het is twee weken geleden al geïnstalleerd.” „Nee hoor, ik heb niks.” „Eh ik kijk het even na.” Geroezemoes. „Het wordt binnenkort geïnstalleerd.” „Heeft u geen datum?” „Nee, binnenkort. Va bene?” „Nee, non va bene!” Enzovoort. Na een maand wachten was het enige resultaat dat we nu helemaal niet meer wisten wanneer we een nieuwe verbinding tegemoet zouden kunnen zien. Dat was wel een fax waard: „We zien er vanaf Infostrada!”

Gelukkig tipte een kennis ons over het bedrijf Eolo, dat ook met een straalverbinding werkt. En hij had het telefoonnummer van de technicus en dat was goud waard zoals we inmiddels geleerd hadden. En ja hoor, binnen een week was alles geïnstalleerd en werkte het met een snelheid van 20mbit/s! De dreigbrieven van Fastcon (”U heeft een factuur niet betaald!”) negeren we. Infostrada zwijgt. Wij surfen. Uitzending Gemist!

zaterdag 30 mei 2015

Il Furbo


Met de duim van zijn rechterhand maakte Roberto een verticale snijdende beweging over zijn wang, van boven naar beneden. In de rijke Italiaanse gebarentaal betekent dit zoiets als „Hij is een sluwe vos” of „slimmerik” of zelfs „bedrieger”: een furbo. Voor de persoon die het gebaar betreft, moet je uitkijken. Hoewel Roberto zijn best deed om onaangedaan te lijken door wat er gebeurd was, kon ik toch aan hem zien dat hij wel degelijk geraakt was. Zijn blik was bijna onmerkbaar veranderd, een ietsje meer naar binnengekeerd dan anders wanneer hij zijn onbezorgde, rondborstige, joviale zelf was.

Al weken lang was hij in overleg met de eigenaar van een jachthuis over de mogelijkheid om daar een nieuw restaurant te beginnen. Zijn vorige locatie met de naam Locanda Amici Miei was in korte tijd ons huisrestaurant geworden en dat niet alleen omdat het zo lekker dicht bij onze B&B lag. Nee, het waren de fantastisch lekkere gerechten die echtgenote en kokkin Antonica daar uit het onvoorstelbaar kleine keukentje wist te toveren die ons steeds vaker terug deed keren. En ons niet alleen: ook onder onze gasten was „Amici Miei” favoriet. Maar sinds een paar maanden boterde het niet meer tussen de eigenaar, die boven het restaurant woonde, en Roberto en Antonica. Ze besloten om iets nieuws te gaan zoeken en kwamen viavia in contact met de eigenaar van het jachthuis.

Maar het schoot na een vlot begin van gesprekken de laatste tijd niet echt op met de onderhandelingen en Roberto kreeg het gevoel dat hij aan het lijntje gehouden werd. Bij iedere bijeenkomst leek de huiseigenaar de afspraken van de vorige keren vergeten en kwam hij met andere voorstellen. Voorstellen die voor Roberto nadeliger waren. „De tafels voor het restaurant die bezorg ik je wel, daarover hoef je je niet druk te maken,” beloofde de eigenaar tijdens een van de eerste ontmoetingen. Om daar een week of wat later nonchalant op terug te komen: "Tafels zeg je, nee die moet je zelf aanschaffen!” Alsof ze het er nooit eerder over gehad hadden.


Zo ging het met bijna alle afspraken. Het was een veelheid aan kleine ergernissen die zich opstapelde en steeds zwaarder begon te wegen. Roberto had al bij het eerste contact laten weten dat hij een langjarig huurcontract wilde met een optie op een even langdurige verlenging. „6+6” had hij voorgesteld, iets waar de eigenaar niet onwelwillend tegenover leek te staan. „Leek” want weken later begon dezelfde man over een eenjarig contract te praten zonder aan Roberto’s eerdere voorstel te refereren. „Een jaar?” had Roberto opgewonden geantwoord. „Daar begin ik niet aan. We zijn geen vijfentwintig meer! We zoeken een stabiele plek waar we iets kunnen opbouwen. Dat heb ik vanaf het begin gezegd!” Daarop bond de eigenaar een beetje in, om de keer erop het voorstel „2+2” te doen. Dat schoot niet op.

Op financieel gebied had de eigenaar zijn eisen geleidelijk aan ook steeds verder aangescherpt. Eerst interesseerde hem de huursom helemaal niet: „Zeggen jullie zelf maar wat je betalen wil” was het ruimhartige (maar eigenlijk ook ongeloofwaardige) aanbod. Maar een aantal overlegrondes later wilde hij 800€ per maand officieel en nog 100€ onder de toonbank. „Bovendien,” toverde de eigenaar uit zijn rijkgevulde hoge hoed, „heb ik een bankgarantie nodig om er zeker van te zijn dat jullie financieel solide zijn.” Roberto ontplofte daarop bijna: „Een bankgarantie? Van ons? Terwijl wij juist degenen zijn die al het risico lopen en jij geen enkel!” Geen bankgarantie, onder geen beding. De eigenaar gaf toe, voorlopig.

En bij het op een na laatste overleg was voor Roberto het dieptepunt bereikt. Ondanks herhaalde verzoeken van hem had de eigenaar alweer de plattegronden en eigendomspapieren van het jachthuis niet bij zich. „Ach verdorie, weer vergeten,” was het ongeïnteresseerde antwoord op Roberto’s hernieuwde vraag waar de documenten bleven. Waarop de eigenaar quasifilosofisch hardop was gaan spelen met de gedachte dat hij het huis misschien toch liever wilde verkopen. Er moest maar een buonuscita, een afkoopsom ofwel oprotpremie in het contract komen, het contract dat maar niet kon worden opgesteld bij gebrek aan de eigendomspapieren. „Een afkoopsom? Je denkt toch niet dat ik al die inspanning en investeringen doe om me na een korte periode te laten wegsturen? Het duurt minstens twee jaar voor een dergelijk restaurant een beetje loopt!”

Roberto was het nu echt beu. „È furbo, hij is sluw” zei hij en maakte daarbij het snijgebaar over zijn wang. „Hij weet dat we heel enthousiast zijn over de locatie en probeert daarvan te profiteren door tijd te rekken en zijn eisen steeds verder op te schroeven.” Maar daar deed Roberto vanaf nu niet meer aan mee. Hij had de eigenaar bij het laatste overleg weggestuurd met de boodschap dat hij maar van zich moest laten horen als hij echt wist wat hij wilde, zodat ze eindelijk spijkers met koppen konden slaan. „Lo lascio cuocere un po’, ik laat hem eventjes koken, dan keert hij straks wel op zijn schreden terug” zei Roberto tegen ons. Maar heel overtuigend klonk het niet.

Als nuchtere Nederlanders kunnen we het gedrag van de eigenaar maar moeilijk bevatten. Zijn jachthuis gebruikt de man maar een keer per jaar met een groep vrienden tijdens de jacht. Inkomsten heeft hij er dus niet uit en alles wat Roberto met het restaurant zou inbrengen is winst. Waarom de zaak dan zo traineren, met het risico dat het niet doorgaat? Is het misschien iets typisch Italiaans, machismoachtig: bij elke deal moet je de tegenpartij zien af te troeven zodat het duidelijk is dat jij de overwinnaar bent en niet hij, al gaat het maar om een lulligheidje, een detail? Zodat je er later uitgebreid over kunt pochen tegenover je vrienden? We vinden het maar een vermoeiend, overbodig ritueel. Maar dat vindt Roberto als rasechte Italiaan kennelijk ook. Is hij een uitzondering? Of lijken de Italianen uit Brescia, in het noorden, waar Roberto vandaan komt al meer op Svizzeri, Zwitsers, zoals men al te precieze en regelneukerige personen hier noemt, dan op de gemiddelde inwoner van „de Laars”?

En hij had de laatste tijd toch al zo’n pech. Een verbouwingsproject waarover hij ook al maanden in onderhandeling was geweest, ging uiteindelijk niet door om alweer voor ons ondoorgrondelijke redenen. Maar daarover een volgende keer.

Italiaanse toestanden, ze blijven ons verbazen.