Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


zaterdag 6 februari 2016

Camorra





We waren de slagboom van de parkeergarage nog niet gepasseerd, of een man hield ons staande. Nog voor we het autoraampje geopend hadden, knikte hij ons al minzaam toe en maakte daarbij een lichte buiging met zijn bovenlichaam. Een priester? Nee, hij droeg het kostuum van een bedrijfsmedewerker, niet dat van een geestelijke. Hier werden auto’s geparkeerd, geen zielen. „Solo il conducente,” zei de man bedeesd zodra ons raampje open was geschoven. Watte? „Non capisco,” antwoordde Nico verbouwereerd. Wat zou hij nou bedoelen? „Solo il conducente può entrare, per ragioni di sicurezza,” vervolgde de man zijn uitleg, waarbij hij minzaam bleef kijken en nog maar eens onderdanig boog. Of de medepassagier alstublieft hier wilde uitstappen, dat was de smeekbede van de pseudo-prelaat, zoveel begrepen we nu wel, maar waarom in vredesnaam? Wat konden die veiligheidsredenen zijn? E il cane? Deve anche uscire adesso?” vroegen we ten overvloede. Ja, het was ook beter dat de hond de auto hier verliet, je weet ten slotte maar nooit. Nooit? Wij weten helemaal niets! Wel spookhuis ging de conducente hier binnenrijden? 

Nadat ik met hond en jas in allerijl de auto verlaten had, vaarwel zwaaiend naar de nog immer verbouwereerde chauffeur, dirigeerde de medewerker mij naar de uitgang, il tunnel. Dat bleek een tochtgat dat kennelijk dwars door de berg naar de stad Amalfi leidde. Ik stelde me strategisch op tussen de verschillende in- en uitgangen die ik zo op het oog ontwaarde, want ik had geen idee waar (en wanneer?) mijn Odysseus uit de parkeeronderwereld tevoorschijn zou komen. Na een minuut of vijf verscheen hij ergens, nauwelijks te ontwaren, in de verte. Ik liep naar hem toe en zag dat hij zijn jas niet bij zich had. „Heb jij mijn jas niet meegenomen?” vroeg hij kleumend. „Nee, in de haast heb ik alleen mijn eigen jas gepakt!” Hij kon dus terug. Via een andere ingang want de deur waaruit tevoorschijn was gekomen, was in het slot gevallen en kon alleen van binnenuit geopend worden. Zucht. Pas toen hij alweer weg was, realiseerde ik me dat ook de reisgids nog in de auto lag. Dat stomme gekloot ook! Waarom mocht alleen de bestuurder naar binnen? We kwamen er niet achter. De parkeergarage leek er een als elke andere, waar je met je hele hebben en houden zonder problemen naar binnen mocht. Was het iets met de mafia? Drugshandel? Wapens? Geheime afspraken? Moordpartijen?

We waren voor het eerst in Zuid-Italië, dus de fantasie ging nogal eens met ons op de loop. Overal dachten we sporen van de camorra, de Zuid-Italiaanse tak van de mafia, te zien. We zagen dure glimmende auto’s geruisloos voorbij schuiven, met aan het stuur (de ’conducente’!) gedistingeerde, gebronsde, oudere heren met zijden dasjes en gouden brilmonturen en dachten: il capo dei capi, de maffiabaas! Wat was er hier trouwens veel politie op de been, overal zag je de auto’s met carabinieri of polizia. Niet dat de rechtsdienaren veel activiteit vertoonden trouwens, ze waren vooral aan het kletsen met voorbijgangers, terwijl achter hun rug ... Of niet? Voor de lunch die we op een terras genoten hadden, moesten we twee panden verder bij de gelateria afrekenen. Hè? Zou de ijscoman soms de afperser van de buurt zijn, waaraan elke winkelier van de straat zijn inkomsten moet afstaan? Camorra, camorra, zoemde het in ons hoofd. De man van de gelateria zong er in ieder geval vrolijk bij, boven zijn vitrine met uitpuilende bergen ijs, waaronder de specialiteit van de zaak: een roomwitte met citroengele strepen doortrokken ’O sole mio’

Napels, de maffiahoofdstad van Italië (of was dat Palermo, of Corleone? Milaan???), durfden we daar eigenlijk wel naar toe? Het bezoeken van dit Parijs aan de Middellandse Zee, zoals Napels in welvarender tijden heette, was een must, maar het sterven stelden we liever nog wat uit. Van de verkeerschaos die daar moest heersen, hadden we hier in Salerno en omstreken al een voorproefje gekregen. Onmogelijk nauwe straatjes met haakse bochten, schots en scheef en dubbel geparkeerde auto’s die de doorgang belemmerden, mensen die zonder op te letten dwars overstaken, scooters die uit alle hoeken en gaten tevoorschijn schoten: je kwam ogen te kort. En o wee als je bij een kruising even aarzelde alvorens je je in de voorbij razende stroom van zwaar gehavende en gedeukte voertuigen stortte! Dan werd je meteen links én rechts voorbij gestoken door conducenti die nog nooit van sicurezza schijnen te hebben gehoord! We hadden dan wel het eigen risico voor krasschade bij het verhuurbedrijf afgekocht, maar of een total loss daaronder viel? 



Het kleine Vietri sul Mare, waar we een vakantiehuisje hadden gehuurd, gaf ons ook een voorproefje van hoe Napels zou moeten zijn. Smalle, bochtige straatjes langs piepkleine speciaalzaakjes, pijpelaatjes, die alleen schoonmaakmiddelen verkopen, of alleen groenten, alleen pasta, etc. Supermarkten zag je in deze streek nog nauwelijks (omdat die moeilijk af te persen zijn?), het waren allemaal kleine familiebedrijfjes. En zo ging het er ook in Vietri aan toe: je zag de winkelaars van de ene negozio naar de andere wandelen om de eigenaren te begroeten en een praatje te maken. Iedere dag opnieuw. Naast de groentenman die ons een speciaal soort broccoli verkoopt, zat een keramiekzaak waarvan de eigenaresse zich meteen met onze aankoop bemoeide. „Sono broccoli napoletani,” verklaarde ze. Degene die wij kennen, de bloemkoolachtige struik, kwam uit de Basilicata, nog zuidelijker. Het dikke accent dat de ’meridionali’, de zuiderlingen, spreken, intrigeerde me en ik begon een gesprekje met de pottenbakster, waarbij ik haar accent probeerde na te bootsen. De kunst was het om met een luie tong te praten, ongearticuleerd maar met veel passie, als een dronkenman die de medeklinkers niet meer kan vormen. Mijn poging viel in goede aarde en lachend zei de winkelierster dat de Napolitanen ’bonu’ zijn, ’buono’, goed volk, open en altijd bereid tot een praatje. Zij was nog goed te verstaan, maar veel van wat hier in dialect gebrabbeld werd, ging toch aan ons voorbij. Jammer. Of misschien toch niet. Zo zouden we het niet eens merken als iemand ons zou proberen af te persen. Camorra? Nooit van gehoord!

maandag 11 januari 2016

15 Original Italian Experiences

For the English speaking comunity I have prepared a collection of 15 short impressions of (our) life in Italy. Very short stories about authentic experiences in Italy, in and around the Oltrepò Pavese wine region, 50 km south of Milan. Stories about authentic, traditional food, a cooking class experience, wine tasting, the grape harvest, visiting a historical monastery, etc.

See https://www.smashwords.com/books/view/588875



The Oltrepo Pavese is the largest wine producing area of Lombardy in the North of Italy, but is also virtually unknown abroad. This is a pity as the landscape is beautiful, the people are kind, the food is authentic and there are lots of possibilities for walking, hiking, cycling and sight-seeing. The smooth hills are covered with vineyards, castles and medieval villages and this landscape reminds one of Tuscany. Pace of life is slow, food is traditional and wine can be tasted anywhere, in one of the over 100 independent cantines.

The short sketches presented here give you a first impression on life in this unspoiled region of Italy.

maandag 21 december 2015

Scacco Matto



Het bord hangt er nog, onverlicht in het donker, en ook op de gevel is met enige moeite de naam van het restaurant nog wel te ontwaren, maar Osteria Francia is al jaren dicht. Toch was het vroeger een wijd en zijd bekende pleisterplaats en zelfs nu nog doet de naam van het etablissement nuttig dienst als oriëntatiepunt wanneer we koeriers of (Italiaanse) gasten moeten uitleggen waar we wonen: „Is dat bij de vroegere Osteria Francia?” is steevast de wedervraag als we zeggen dat we vlakbij de frazione Francia van de gemeente wonen. Ja, daar is het.


Toen we hier kwamen wonen, was de osteria al dicht. Wanneer we aan een buurtgenoot (buurman Antonio, buurman Francesco, aannemer Torti, en dergelijke) vroegen waarom het dicht was, volgden er alleen maar negatieve verhalen. Het kwam erop neer dat Osteria Francia tot voor een paar jaar een zeer goed lopende tent was, maar dat de eigenaresse de klandizie met haar kwaadsprekerij gaandeweg had weggejaagd, totdat de zaak uiteindelijk had moeten sluiten. Erg jammer, vond iedereen en ook wij keken altijd met spijt naar de osteria, want een goed restaurant op loopafstand van ons vakantieverblijf zou een interessante pre zijn geweest. De wijnliefhebbers zouden er ongeremd van het lokale product kunnen proeven, zonder zich zorgen te maken over politiecontroles. Ging het maar weer open! Maar telkens als we er met Saar langs wandelden, waren de luiken potdicht en was de toegangspoort gesloten. De enige tekens van leven bestonden uit het diepe geblaf van de herdershond achter de poort en het hoge gekef van de Jack Russell, die altijd meteen op Saar afkwam, wat vooral aanleiding gaf tot wederzijds gegrom. Als je er met de auto passeerde, moest je goed uitkijken want de kleine Jack maakte er de gewoonte van op zijn rug midden op de weg te gaan liggen. En te blijven liggen. Al kwam er een auto recht op hem af, hij verroerde geen haar en vertrok geen spier. Dat hij het tot nu toe overleefd had, dachten wij verbaasd, terwijl we bijna in de berm reden om er langs te kunnen.


Na een paar jaar kwam er echter op eens beweging in de zaak. Er werd geklust! Zou het warempel toch gaan gebeuren? En ja, na een aantal weken verscheen er voor de ingang opeens een tafeltje met een kleedje waar een grote fles op stond: hét teken hier te lande dat men welkom is. Hoera! We gingen het meteen uitproberen. Achter de grote bar bij de ingang lag een vrij grote eetzaal. Toen wij er voor het eerst kwamen was die zo goed als leeg, maar het woord over de opening zou zich eerst nog moeten verspreiden en dat kost natuurlijk tijd. We vonden het nog wel erg kaal en sfeerloos, maar ook dat zou met wat kleine ingrepen zo verholpen kunnen worden. Wie weet gebeurde dat nog wel, als de nieuwe gestori er eenmaal vertrouwen in hadden dat het restaurant goed ging lopen. De bediening was ietwat gereserveerd maar vriendelijk, het eten prima (al was het oordeel van onze buurman Francesco vernietigend, maar ja, dat was nu eenmaal een oude mopperkont, wisten we). Dit zou hem wel eens kunnen worden! besloten we hoopvol. 


Maar helaas, na een jaar sloot Osteria Francia haar deuren alweer. Wat zou de oorzaak zijn? vroegen we ons teleurgesteld af. Van onze buurtgenoten begrepen we dat de uitbaters ruzie gekregen hadden met de eigenaren en vroegere uitbaters die boven het restaurant woonden. Ze hadden allerlei plannen gemaakt en voorstellen gedaan om de zaak aantrekkelijker te maken en op de kaart te zetten, maar de eigenaren hadden alles geblokkeerd. Er mocht niets aan de huidige inrichting en structuur veranderen. Dat er geen internetverbinding beschikbaar was, toch noodzakelijk voor de publiciteit in moderne tijden, mocht van de eigenaren oude stijl geen probleem genoemd worden. Na maandenlang sfeerbedervend getouwtrek, hadden de nieuwe gestori besloten dat het beter was om er een punt achter te zetten. Later hoorden we dat ze een nieuwe poging hadden gedaan bij het enkele kilometers verderop gelegen Domus Paradisi, maar daar min of meer waren weggepest door de kwaadspreekster van Francia. Die zou ze een rechtszaak hebben aangedaan en enkele malen ’s avonds schreeuwend en tierend bij Domus Paradisi zijn verschenen, om de klanten er weg te jagen. Wat we hier nu weer van moesten geloven, we wisten het niet.

Maar wat schetst onze verbazing, na korte tijd zagen we hernieuwd activiteit! Er werd geverfd en geklust (mocht dat nu opeens wel?) en de osteria herrees blinkend oranje uit haar graf onder de merkwaardige naam Scaccomatto, schaakmat. Hadden de nieuwe gestori een vooruitziende blik en er zich bij voorbaat al bij neergelegd dat ze zich op een doodlopende weg bevonden? Of kwam er een schaakcafé? Binnen was alles opeens oranje, de muren, de kussens op de stoelen, de servetten, de letters van het menu. Maar schaakborden waren nergens te bekennen. De enige keer dat we ’Schaakmat’ bezochten, zaten we gerieflijk buiten aan een tafeltje. De bediening bestond uit een rossige (!) jongeman en een oudere vrouw die zijn moeder bleek te zijn, zoals ze zelf bekend maakte. „Ja, ik help mijn zoon een beetje in het begin, om op gang te komen, want voor hem is dit ook allemaal nieuw. Ik steun hem graag in zijn initiatief om een zelfstandig bestaan op te bouwen.” We knikten braaf en vroegen ons af of wij ook wat betreft het eten betalende proefkonijnen waren. Zoals zijn moeder het vertelde, klonk de nieuwe eigenaar een beetje als een kneus die maar geen draai aan zijn hopeloze leven wist te geven. We bestelden lasagna, op aanraden van moeders. „Het is de eerste keer dat hij dat bereid!” riep ze verheugd. Haar zoon stond er al die tijd, terwijl zij het woord deed, maar een beetje bedremmeld bij. Was hij wel helemaal 100%? Dat kon een spannende lasagna worden. 


Terwijl de jongeman aan de slag ging (beelden van een chaotische keuken vol smerig gerei en een oververhitte kok verschenen onbedwingbaar voor mijn geestesoog), hield zijn moeder ons gezelschap en vertelde dat zij, met haar zoon, vlakbij woonde. Tot onze verrassing bleek haar huis datgene met de totaal verwilderde tuin en de drie honden, die elkaar altijd te lijf ging als we er met onze hond langsliepen. Na het vroegtijdige verscheiden van Scaccomatto vertrokken de restaurateurs in ruste ook uit dat huis, met achterlating van de honden. De buren ontfermden zich toen maar over de arme beesten die steeds meer verwilderden en verwoede pogingen deden om te ontsnappen, wat af en toe lukte. Een van de drie bleek zelfs in staat in een boom te klimmen in zijn drift om weg te komen! De evolutietheorie van Darwin in de praktijk bewezen! Dat was dus de moeder, dachten we, iemand die haar huisdieren verwaarloosde. Wat kon dat voor de kwaliteit van het restaurant betekenen? We wachtten in spanning af.


De lasagna werd geserveerd en bleek niet onsmakelijk, ongeveer net zoals we hem zelf thuis maakten. Een kans op een hernieuwde kennismaking met Scaccomatto kwam er niet, want al na een maand of drie sloten de deuren van de zaak alweer. Te weinig klandizie waarschijnlijk, te zien aan de wanhoopspogingen die de beste jongen deed om zijn zaak voor lokale lekkerbekken aantrekkelijk te maken: hij bood op een gegeven moment een pranzo di lavoro aan, voor een tientje. Dat doen de meeste restaurants in de omgeving, maar hij begon er pas net ná de druivenoogst mee, toen alle loonarbeiders alweer naar Roemenië en Albanië teruggekeerd waren. Een ander initiatief was een servizio pullman, een shuttledienst. Maar wie zou zich nou helemaal naar the middle of nowhere willen laten vervoeren voor een onbekende eetgelegenheid? Een reclamebord aan de drukke provinciale weg beneden in het dal verscheen een week voordat de tent definitief dicht ging. We vreesden dat de jongeman nog wel even van moeders pappot zou (moeten) blijven genieten (maar misschien maakte hij nu thuis ook wel lasagna?).


Na alweer (lange) periode van stilte heropende de osteria voor de derde keer. En, verrassing, nu waren het de eigenaren die het opnieuw gingen proberen. Beneden in het dal plaatsten ze direct een bord waarop ze de heropening feestelijk aankondigden. Aperto!, stond er in grote letters, wat niet verhinderde dat we twee keer onze neus tegen een dichte deur stootten: ze bleken voorlopig allen in het weekend open (maar dat stond niet op het reclamebord en betekende dat onze gasten er maar beperkt van zouden kunnen profiteren). Uiteindelijk aten we er toch een paar keer, voornamelijk buiten op het grote terras terwijl de herder vrij tussen en onder de tafels struinde en de Jack een blafwedstrijd met onze hond begon. Een van deze wedstrijden eindigde ermee dat er onder tafel een flinke hap in het been van onze schoonzus werd gedaan. Au!!! De eigenaresse deed de bediening en hoewel ze er wel streng uitzag, konden we toch niet vaststellen of de slechte verhalen over haar op waarheid berustten of niet. 


Hoe het ook zij, ook de herrezen osteria leed na een aantal maanden schipbreuk en ging zonder rumoer ten onder. We hadden ons er al bij neergelegd dat een restaurant-op-loopafstand voor onze villa niet weggelegd was. Met Roberto en Antonica hadden we er, na hun vertrek bij Amici Miei, wel eens gedagdroomd over de mogelijkheid dat zij de osteria zouden overnemen, maar Roberto piekerde er niet over zolang de eigenaren er nog boven woonden, hun eigen ervaringen indachtig en gewaarschuwd door de verhalen over de eigenaren van Francia. Maar wat kwam ons onlangs opeens ter ore? De eigenaren vertrokken, ze gingen verhuizen naar Piemonte. Zou dit een kans voor Roberto en Antonica zijn? Zouden de eigenaren het restaurant willen verpachten? Als er nu eindelijk eens een keer geen beren op de weg zouden verschijnen, verzuchtten we. Uit jarenlange ervaring wisten we dat Italianen meesters zijn in het opwerpen van blokkades en het bedenken van complicaties, ook en vooral als het hun eigen zaken betreft! Dit keer zou er toch wel eens een uitzondering op deze regel mogen komen, vonden wij. Dan was het eind goed, al goed. Of kennen Italiaanse sprookjes echt geen lieto fine, geen happy end?

maandag 12 oktober 2015

De huishoudster van koningin Juliana


„Kloetzakk,” zei Francesco opeens, boos over het rijgedrag van een stadsgenoot die vlak voor ons de weg op schoot. De ’parole brutte’, scheldwoorden, van een nieuwe taal leer je altijd het eerst en blijven het langst in het geheugen hangen. We waren op weg naar Antonietta, koosnaam ’Tetta’ (tiet!), de vrouw die vijftig jaar geleden tegelijk met Francesco in Nederland was, maar die er in tegenstelling tot hem tientallen jaren was gebleven. Ongetwijfeld had ze in die tijd Nederlands leren spreken en zou ze ons uit de eerste bron kunnen vertellen over haar ervaringen aan het Koninklijke Hof, want ze maakte destijds deel uit van het huishoudelijke personeel van Soestdijk! Waarschijnlijk had Juliana met kerst ook haar mok hoogstpersoonlijk met chocolademelk volgeschonken, zoals ze ieder jaar voor al haar personeel deed. In ieder geval was ze mee met Juliana wanneer die de Costa Smeralda bezocht, zo wist Francesco te vertellen. Daar moesten we meer van weten!  


Francesco zat naast Nico en wees de weg. Ondanks zijn kritiek op het roekeloze rijden van de andere verkeersdeelnemers had hij de veiligheidsgordel niet om, want „ze controleerden hier toch nooit”. Die ochtend was hij ons vanuit zijn boomgaard komen begroeten met een luid „Buongiorno!” In zijn hand had hij een envelop die een aantal foto's van vroeger bleek te bevatten. Thuis had hij nog eens goed gezocht en dan eindelijk toch die kiekjes uit 1965 teruggevonden. We waren erg nieuwsgierig en rukten hem de envelop bijkans uit handen. Zelf deed Francesco gemaakt nonchalant, maar het feit dat hij het steeds over die periode van zolang geleden had en zo zijn best deed om zich van alles te herinneren, maakte duidelijk dat het voor hem toch meer betekende dan hij wilde laten blijken.


Op de foto’s die hij lukraak op tafel strooide, alsof ze de moeite van het bekijken niet waard waren, was hij veel te zien met zijn Italiaanse collega’s: een groepsfoto met alle ouderwetse hutkoffers na aankomst (of voor vertrek?), dezelfde groep voor een (protestantse) kerkdienst die ze bijwoonden, Francesco met een of twee muzikale vrienden, alle met gitaar. Ook waren er een paar foto’s van zijn verblijf in het ziekenhuis, waar hij aan een breuk geopereerd was: een onschuldige jongeman, een jongen nog, in bed of met de verpleegsters naast hem in de vensterbank, hij in kamerjas, zij in kraakhelder witte verpleegsterkostuums. We zagen dat hij een heel knappe jongen was met een vriendelijk gezicht, die bij de Nederlandse meisjes ongetwijfeld goed in de smaak was gevallen.   



Of hij ook wel eens uit ging ’s avonds, wilden we van Francesco weten. Ja, natuurlijk, er was een bar in de buurt waar gedanst werd: ballroom vooral. Francesco vond de tango en mazurka het leukst. De kunst was het om meisjes van gelijke lengte te vinden, want met zo’n blonde reuzin kon je niks beginnen natuurlijk. Een keer was na middernacht de vriend van een van de meisjes dronken binnen komen stormen en had de Italiaanse danspartner van zijn meisje met een hamer een paar keer op zijn hoofd geslagen. „Oioioi, dat was een toestand,” zei Francesco. Hij was met zijn landgenoten gelijk weggegaan om de gemoederen niet verder te laten oplopen. Voor je het wist, werd je geboeid afgevoerd, en daarbij maakte hij het gebaar van twee samengevouwen handen, als in gebed. „Santa Maria, noemden we dat,” zei Francesco. Dat was een veel gebezigd begrip onder de Italiaanse jongens in die tijd, want ze merkten wel dat de politie extra veel op hen lette. Argwaan ten opzichte van vreemdelingen, het is van alle tijden. En Italianen, dat was in die tijd ’vreemd volk’. Een kleine tien jaar later waren de Turken aan de beurt, toen Polynorm in Turkije ging werven voor personeel.




De Italianen logeerden tijdens hun verblijf in Nederland in Hotel Duinhof in Soest, dat door het bedrijf Polynorm in zijn geheel voor zijn werknemers was afgehuurd. De eigenaresse had zo een vaste bezetting en weinig omkijken naar het hotel, wat goed uitkwam want ze was continu dronken. Het eten dat ze de fijnproevers uit het culinaire paradijs Italië voorschotelde, viel niet in de smaak. Tot pap gekookte spaghetti, bah. Francesco trok er nog een vies gezicht bij en maakte een wegwerpgebaar. Uiteindelijk hadden ze maar voorgesteld dat ze zelf hun pasta zouden koken, ook al betekende dat extra werk. Ook de minestrone van Nederlandse makelij beviel niet, het was dun water met nauwelijks groente. „Solo brodo!” zei Francesco en stak zijn tong in afgrijzen uit zijn mond. 


„Goetverdoemme!” Een auto stak zonder op te letten opeens van een parkeerplaats de weg op. We waren bijna bij het huis van Antonietta, ook wel Tiet genaamd. Francesco moest even goed kijken maar toen zag hij waar we wezen moesten. Haar fiets stond er niet, dat was een slecht teken want ze deed alles op de fiets. Een erfenis uit haar Hollandse periode? En inderdaad, er kwam geen reactie op de bel. Zo jammer! Dan maar naar een bar, besloot Francesco. „Rij maar naar het strand, naar de bar van Peppe.” Naar die bar had hij ons al de eerste dag gestuurd toen we hem vroegen waar we in de buurt konden lunchen. We stelden ons heel wat voor van Peppe, want als hij zo open en spraakzaam was als Francesco zelf ... Maar we kwamen bedrogen uit. De oudere man die met een jongere hulp de bar bediende, moest wel Peppe zijn, maar hij keek nors en sprak geen woord. Zijn mondhoeken wezen naar beneden, zijn lippen waren tot een smalle streep samengeperst. Vergeleken met zijn omvangrijke lijf, dat er door de slobberkleding die hij droeg als een hobbezak uitzag, leek zijn hoofd veel te klein. Een grauwe kers op een grote blubberige pudding. Verder liep hij niet maar schuifelde, op sloffen die hun beste tijd ook al hadden gehad. Nee, bij Peppe was er zo te zien het beste wel vanaf.


Toen we met Francesco aan een tafeltje in de bar gingen zitten, schoof Peppe geluidloos vanachter de toog tevoorschijn. Francesco begroette hem in dialect, waarop Peppe zowaar antwoordde, maar zonder dat er ook maar iets in zijn stuurse gezichtsuitdrukking veranderde. Zijn stem leek totaal niet bij zijn lijf te passen: waar we een sombere bas verwachtten, klonk tot onze verrassing een geknepen stemmetje, snerpend als een tandartsboor. Terwijl hij sprak, bleef zijn mond zo goed als gesloten. Hij leek ook in het geheel niet verrast, laat staan blij, dat hij Francesco zag, die hij toch al een tijd niet gezien moest hebben. Toen hij zich omdraaide en weg schuifelde om een flesje bier te gaan halen, boog Francesco zich naar ons en fluisterde met grote ogen dat hij schrok hoe dik Peppe geworden was. Zou hij soms ziek zijn? 


Peppe bracht een flesje dat we over drie glazen verdeelden. Mocht hij wel drinken? vroegen we aan Francesco, veinzend dat we niets wisten en dat zijn zus ons niet had ingelicht over zijn hartprobleem. „Jawel, een glaasje mocht wel, zo af en toe,” antwoordde hij. Even later bestelde hij een tweede fles. In de tussentijd praatte hij met Peppe over kennissen, het verleden, het laatste nieuws. Af en  toe vertaalde hij even iets voor ons. De bar had eerst verderop gestaan, iets verder van het strand, waar nu de parkeerplaats en rotonde aangelegd waren. Daar was hij ook geboren, begrepen wij. Stel je voor, dachten we, je hele leven blijf je op dezelfde plek en speelt zich af binnen een straal van enkele tientallen meters. Is dat een vloek of een zegen? Peppe was er zo te zien niet vrolijk van geworden. 

We gingen naar huis. Francesco verzamelde zijn foto’s en zei gedag. „Niet tegen mijn zus zeggen dat ik wat gedronken heb, hoor! Alleen een kopje koffie!” We glimlachten en zeiden dat we het begrepen. Francesco glimlachte terug en liep zijn boomgaard in.