Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen
zondag 28 februari 2016
zaterdag 6 februari 2016
Camorra
We waren de
slagboom van de parkeergarage nog niet gepasseerd, of een man hield ons
staande. Nog voor we het autoraampje geopend hadden, knikte hij ons al minzaam
toe en maakte daarbij een lichte buiging met zijn bovenlichaam. Een priester?
Nee, hij droeg het kostuum van een bedrijfsmedewerker, niet dat van een
geestelijke. Hier werden auto’s geparkeerd, geen zielen. „Solo il conducente,” zei de man bedeesd zodra ons raampje open was
geschoven. Watte? „Non capisco,”
antwoordde Nico verbouwereerd. Wat zou hij nou bedoelen? „Solo il conducente può entrare, per ragioni di sicurezza,” vervolgde
de man zijn uitleg, waarbij hij minzaam bleef kijken en nog maar eens
onderdanig boog. Of de medepassagier alstublieft hier wilde uitstappen, dat was
de smeekbede van de pseudo-prelaat, zoveel begrepen we nu wel, maar waarom in
vredesnaam? Wat konden die veiligheidsredenen zijn? „E il cane? Deve anche uscire adesso?” vroegen
we ten overvloede. Ja, het was ook
beter dat de hond de auto hier verliet, je weet ten slotte maar nooit. Nooit?
Wij weten helemaal niets! Wel spookhuis ging de conducente hier binnenrijden?
Nadat ik met hond
en jas in allerijl de auto verlaten had, vaarwel zwaaiend naar de nog immer
verbouwereerde chauffeur, dirigeerde de medewerker mij naar de uitgang, il tunnel. Dat bleek een tochtgat dat
kennelijk dwars door de berg naar de stad Amalfi leidde. Ik stelde me
strategisch op tussen de verschillende in- en uitgangen die ik zo op het oog
ontwaarde, want ik had geen idee waar (en wanneer?) mijn Odysseus uit de parkeeronderwereld
tevoorschijn zou komen. Na een minuut of vijf verscheen hij ergens, nauwelijks
te ontwaren, in de verte. Ik liep naar hem toe en zag dat hij zijn jas niet bij
zich had. „Heb jij mijn jas niet meegenomen?” vroeg hij kleumend. „Nee, in de
haast heb ik alleen mijn eigen jas gepakt!” Hij kon dus terug. Via een andere
ingang want de deur waaruit tevoorschijn was gekomen, was in het slot gevallen
en kon alleen van binnenuit geopend worden. Zucht. Pas toen hij alweer weg was,
realiseerde ik me dat ook de reisgids nog in de auto lag. Dat stomme gekloot
ook! Waarom mocht alleen de bestuurder naar binnen? We kwamen er niet achter.
De parkeergarage leek er een als elke andere, waar je met je hele hebben en
houden zonder problemen naar binnen mocht. Was het iets met de mafia?
Drugshandel? Wapens? Geheime afspraken? Moordpartijen?
We waren voor het
eerst in Zuid-Italië, dus de fantasie ging nogal eens met ons op de loop.
Overal dachten we sporen van de camorra,
de Zuid-Italiaanse tak van de mafia,
te zien. We zagen dure glimmende auto’s geruisloos voorbij schuiven, met aan
het stuur (de ’conducente’!)
gedistingeerde, gebronsde, oudere heren met zijden dasjes en gouden
brilmonturen en dachten: il capo dei capi,
de maffiabaas! Wat was er hier trouwens veel politie op de been, overal zag je
de auto’s met carabinieri of polizia. Niet dat de rechtsdienaren veel
activiteit vertoonden trouwens, ze waren vooral aan het kletsen met
voorbijgangers, terwijl achter hun rug ... Of niet? Voor de lunch die we op een
terras genoten hadden, moesten we twee panden verder bij de gelateria afrekenen. Hè? Zou de ijscoman
soms de afperser van de buurt zijn, waaraan elke winkelier van de straat zijn
inkomsten moet afstaan? Camorra, camorra, zoemde het in ons hoofd. De man van de gelateria zong er in ieder geval vrolijk bij, boven zijn vitrine
met uitpuilende bergen ijs, waaronder de specialiteit van de zaak: een
roomwitte met citroengele strepen doortrokken ’O sole mio’.
Napels, de maffiahoofdstad
van Italië (of was dat Palermo, of Corleone? Milaan???), durfden we daar
eigenlijk wel naar toe? Het bezoeken van dit Parijs aan de Middellandse Zee,
zoals Napels in welvarender tijden heette, was een must, maar het sterven stelden
we liever nog wat uit. Van de verkeerschaos die daar moest heersen, hadden we
hier in Salerno en omstreken al een voorproefje gekregen. Onmogelijk nauwe straatjes
met haakse bochten, schots en scheef en dubbel geparkeerde auto’s die de
doorgang belemmerden, mensen die zonder op te letten dwars overstaken, scooters
die uit alle hoeken en gaten tevoorschijn schoten: je kwam ogen te kort. En o
wee als je bij een kruising even aarzelde alvorens je je in de voorbij razende
stroom van zwaar gehavende en gedeukte voertuigen stortte! Dan werd je meteen
links én rechts voorbij gestoken door conducenti
die nog nooit van sicurezza schijnen
te hebben gehoord! We hadden dan wel het eigen risico voor krasschade bij het
verhuurbedrijf afgekocht, maar of een total loss daaronder viel?
Het kleine Vietri
sul Mare, waar we een vakantiehuisje hadden gehuurd, gaf ons ook een
voorproefje van hoe Napels zou moeten zijn. Smalle, bochtige straatjes langs
piepkleine speciaalzaakjes, pijpelaatjes, die alleen schoonmaakmiddelen
verkopen, of alleen groenten, alleen pasta, etc. Supermarkten zag je in deze
streek nog nauwelijks (omdat die moeilijk af te persen zijn?), het waren
allemaal kleine familiebedrijfjes. En zo ging het er ook in Vietri aan toe: je zag
de winkelaars van de ene negozio naar
de andere wandelen om de eigenaren te begroeten en een praatje te maken. Iedere
dag opnieuw. Naast de groentenman die ons een speciaal soort broccoli verkoopt,
zat een keramiekzaak waarvan de eigenaresse zich meteen met onze aankoop bemoeide.
„Sono broccoli napoletani,” verklaarde
ze. Degene die wij kennen, de bloemkoolachtige struik, kwam uit de Basilicata,
nog zuidelijker. Het dikke accent dat de ’meridionali’,
de zuiderlingen, spreken, intrigeerde me en ik begon een gesprekje met de
pottenbakster, waarbij ik haar accent probeerde na te bootsen. De kunst was het
om met een luie tong te praten, ongearticuleerd maar met veel passie, als een
dronkenman die de medeklinkers niet meer kan vormen. Mijn poging viel in goede
aarde en lachend zei de winkelierster dat de Napolitanen ’bonu’ zijn, ’buono’,
goed volk, open en altijd bereid tot een praatje. Zij was nog goed te verstaan,
maar veel van wat hier in dialect gebrabbeld werd, ging toch aan ons voorbij.
Jammer. Of misschien toch niet. Zo zouden we het niet eens merken als iemand
ons zou proberen af te persen. Camorra?
Nooit van gehoord!
maandag 11 januari 2016
15 Original Italian Experiences
For the English speaking comunity I have prepared a collection of 15 short impressions of (our) life in Italy. Very short stories about authentic experiences in Italy, in and around the Oltrepò Pavese wine region, 50 km south of Milan. Stories about authentic, traditional food, a cooking class experience, wine tasting, the grape harvest, visiting a historical monastery, etc.
See https://www.smashwords.com/books/view/588875
The Oltrepo Pavese is the largest wine producing area of Lombardy in the North of Italy, but is also virtually unknown abroad. This is a pity as the landscape is beautiful, the people are kind, the food is authentic and there are lots of possibilities for walking, hiking, cycling and sight-seeing. The smooth hills are covered with vineyards, castles and medieval villages and this landscape reminds one of Tuscany. Pace of life is slow, food is traditional and wine can be tasted anywhere, in one of the over 100 independent cantines.
The short sketches presented here give you a first impression on life in this unspoiled region of Italy.
See https://www.smashwords.com/books/view/588875
The Oltrepo Pavese is the largest wine producing area of Lombardy in the North of Italy, but is also virtually unknown abroad. This is a pity as the landscape is beautiful, the people are kind, the food is authentic and there are lots of possibilities for walking, hiking, cycling and sight-seeing. The smooth hills are covered with vineyards, castles and medieval villages and this landscape reminds one of Tuscany. Pace of life is slow, food is traditional and wine can be tasted anywhere, in one of the over 100 independent cantines.
The short sketches presented here give you a first impression on life in this unspoiled region of Italy.
maandag 21 december 2015
Scacco Matto
Het bord
hangt er nog, onverlicht in het donker, en ook op de gevel is met enige moeite de
naam van het restaurant nog wel te ontwaren, maar Osteria Francia is al jaren dicht. Toch was het vroeger een wijd en
zijd bekende pleisterplaats en zelfs nu nog doet de naam van het etablissement
nuttig dienst als oriëntatiepunt wanneer we koeriers of (Italiaanse) gasten
moeten uitleggen waar we wonen: „Is dat bij de vroegere Osteria Francia?” is steevast de wedervraag als we zeggen dat we
vlakbij de frazione Francia van de
gemeente wonen. Ja, daar is het.
Toen we hier kwamen wonen, was de osteria al dicht. Wanneer we aan een
buurtgenoot (buurman Antonio, buurman Francesco, aannemer Torti, en dergelijke)
vroegen waarom het dicht was, volgden er alleen maar negatieve verhalen. Het
kwam erop neer dat Osteria Francia
tot voor een paar jaar een zeer goed lopende tent was, maar dat de eigenaresse
de klandizie met haar kwaadsprekerij gaandeweg had weggejaagd, totdat de
zaak uiteindelijk had moeten sluiten. Erg jammer, vond iedereen en ook wij
keken altijd met spijt naar de osteria,
want een goed restaurant op loopafstand van ons vakantieverblijf zou een interessante
pre zijn geweest. De wijnliefhebbers zouden er ongeremd van het lokale product
kunnen proeven, zonder zich zorgen te maken over politiecontroles. Ging het
maar weer open! Maar telkens als we er met Saar langs wandelden, waren de
luiken potdicht en was de toegangspoort gesloten. De enige tekens van leven
bestonden uit het diepe geblaf van de herdershond achter de poort en het hoge
gekef van de Jack Russell, die altijd meteen op Saar afkwam, wat vooral
aanleiding gaf tot wederzijds gegrom. Als je er met de auto passeerde, moest je
goed uitkijken want de kleine Jack maakte er de gewoonte van op zijn rug midden
op de weg te gaan liggen. En te blijven liggen. Al kwam er een auto recht op
hem af, hij verroerde geen haar en vertrok geen spier. Dat hij het tot nu toe
overleefd had, dachten wij verbaasd, terwijl we bijna in de berm reden om er
langs te kunnen.
Na een paar jaar kwam er echter op eens beweging
in de zaak. Er werd geklust! Zou het warempel toch gaan gebeuren? En ja, na een
aantal weken verscheen er voor de ingang opeens een tafeltje met een kleedje
waar een grote fles op stond: hét teken hier te lande dat men welkom is. Hoera!
We gingen het meteen uitproberen. Achter de grote bar bij de ingang lag een
vrij grote eetzaal. Toen wij er voor het eerst kwamen was die zo goed als leeg,
maar het woord over de opening zou zich eerst nog moeten verspreiden en dat kost
natuurlijk tijd. We vonden het nog wel erg kaal en sfeerloos, maar ook dat zou
met wat kleine ingrepen zo verholpen kunnen worden. Wie weet gebeurde dat nog
wel, als de nieuwe gestori er eenmaal
vertrouwen in hadden dat het restaurant goed ging lopen. De bediening was
ietwat gereserveerd maar vriendelijk, het eten prima (al was het oordeel van
onze buurman Francesco vernietigend, maar ja, dat was nu eenmaal een oude
mopperkont, wisten we). Dit zou hem wel eens kunnen worden! besloten we
hoopvol.
Maar helaas, na een jaar sloot Osteria Francia haar deuren alweer. Wat
zou de oorzaak zijn? vroegen we ons teleurgesteld af. Van onze buurtgenoten
begrepen we dat de uitbaters ruzie gekregen hadden met de eigenaren en vroegere
uitbaters die boven het restaurant woonden. Ze hadden allerlei plannen gemaakt
en voorstellen gedaan om de zaak aantrekkelijker te maken en op de kaart te
zetten, maar de eigenaren hadden alles geblokkeerd. Er mocht niets aan de
huidige inrichting en structuur veranderen. Dat er geen internetverbinding
beschikbaar was, toch noodzakelijk voor de publiciteit in moderne tijden, mocht
van de eigenaren oude stijl geen probleem genoemd worden. Na maandenlang
sfeerbedervend getouwtrek, hadden de nieuwe gestori
besloten dat het beter was om er een punt achter te zetten. Later hoorden we
dat ze een nieuwe poging hadden gedaan bij het enkele kilometers verderop
gelegen Domus Paradisi, maar daar min
of meer waren weggepest door de kwaadspreekster van Francia. Die zou ze een rechtszaak hebben aangedaan en enkele malen
’s avonds schreeuwend en tierend bij Domus
Paradisi zijn verschenen, om de klanten er weg te jagen. Wat we hier nu
weer van moesten geloven, we wisten het niet.
Maar wat schetst onze verbazing, na korte
tijd zagen we hernieuwd activiteit! Er werd geverfd en geklust (mocht dat nu opeens
wel?) en de osteria herrees blinkend
oranje uit haar graf onder de merkwaardige naam Scaccomatto, schaakmat. Hadden de nieuwe gestori een vooruitziende blik en er zich bij voorbaat al bij
neergelegd dat ze zich op een doodlopende weg bevonden? Of kwam er een
schaakcafé? Binnen was alles opeens oranje, de muren, de kussens op de stoelen,
de servetten, de letters van het menu. Maar schaakborden waren nergens te
bekennen. De enige keer dat we ’Schaakmat’ bezochten, zaten we gerieflijk
buiten aan een tafeltje. De bediening bestond uit een rossige (!) jongeman en
een oudere vrouw die zijn moeder bleek te zijn, zoals ze zelf bekend maakte.
„Ja, ik help mijn zoon een beetje in het begin, om op gang te komen, want voor hem
is dit ook allemaal nieuw. Ik steun hem graag in zijn initiatief om een
zelfstandig bestaan op te bouwen.” We knikten braaf en vroegen ons af of wij
ook wat betreft het eten betalende proefkonijnen waren. Zoals zijn moeder het
vertelde, klonk de nieuwe eigenaar een beetje als een kneus die maar geen draai
aan zijn hopeloze leven wist te geven. We bestelden lasagna, op aanraden van moeders. „Het is de eerste keer dat hij
dat bereid!” riep ze verheugd. Haar zoon stond er al die tijd, terwijl zij het
woord deed, maar een beetje bedremmeld bij. Was hij wel helemaal 100%? Dat kon
een spannende lasagna worden.
Terwijl de jongeman aan de slag ging (beelden
van een chaotische keuken vol smerig gerei en een oververhitte kok verschenen
onbedwingbaar voor mijn geestesoog), hield zijn moeder ons gezelschap en
vertelde dat zij, met haar zoon, vlakbij woonde. Tot onze verrassing bleek haar
huis datgene met de totaal verwilderde tuin en de drie honden, die elkaar
altijd te lijf ging als we er met onze hond langsliepen. Na het vroegtijdige
verscheiden van Scaccomatto vertrokken
de restaurateurs in ruste ook uit dat huis, met achterlating van de honden. De
buren ontfermden zich toen maar over de arme beesten die steeds meer
verwilderden en verwoede pogingen deden om te ontsnappen, wat af en toe lukte.
Een van de drie bleek zelfs in staat in een boom te klimmen in zijn drift om
weg te komen! De evolutietheorie van Darwin in de praktijk bewezen! Dat was dus
de moeder, dachten we, iemand die haar huisdieren verwaarloosde. Wat kon dat
voor de kwaliteit van het restaurant betekenen? We wachtten in spanning af.
De lasagna
werd geserveerd en bleek niet onsmakelijk, ongeveer net zoals we hem zelf thuis
maakten. Een kans op een hernieuwde kennismaking met Scaccomatto kwam er niet, want al na een maand of drie sloten de
deuren van de zaak alweer. Te weinig klandizie waarschijnlijk, te zien aan de
wanhoopspogingen die de beste jongen deed om zijn zaak voor lokale lekkerbekken
aantrekkelijk te maken: hij bood op een gegeven moment een pranzo di lavoro aan, voor een tientje. Dat doen de meeste
restaurants in de omgeving, maar hij begon er pas net ná de druivenoogst mee,
toen alle loonarbeiders alweer naar Roemenië en Albanië teruggekeerd waren. Een
ander initiatief was een servizio pullman,
een shuttledienst. Maar wie zou zich nou helemaal naar the middle of nowhere willen laten vervoeren voor een onbekende
eetgelegenheid? Een reclamebord aan de drukke provinciale weg beneden in het
dal verscheen een week voordat de tent definitief dicht ging. We vreesden dat
de jongeman nog wel even van moeders pappot zou (moeten) blijven genieten (maar
misschien maakte hij nu thuis ook wel lasagna?).
Na alweer (lange) periode van stilte
heropende de osteria voor de derde keer. En, verrassing, nu waren het de
eigenaren die het opnieuw gingen proberen. Beneden in het dal plaatsten ze
direct een bord waarop ze de heropening feestelijk aankondigden. Aperto!, stond er in grote letters, wat
niet verhinderde dat we twee keer onze neus tegen een dichte deur stootten: ze
bleken voorlopig allen in het weekend open (maar dat stond niet op het
reclamebord en betekende dat onze gasten er maar beperkt van zouden kunnen
profiteren). Uiteindelijk aten we er toch een paar keer, voornamelijk buiten op
het grote terras terwijl de herder vrij tussen en onder de tafels struinde en
de Jack een blafwedstrijd met onze hond begon. Een van deze wedstrijden
eindigde ermee dat er onder tafel een flinke hap in het been van onze schoonzus
werd gedaan. Au!!! De eigenaresse deed de bediening en hoewel ze er wel streng
uitzag, konden we toch niet vaststellen of de slechte verhalen over haar op
waarheid berustten of niet.
Hoe het ook zij, ook de herrezen osteria leed na een aantal maanden
schipbreuk en ging zonder rumoer ten onder. We hadden ons er al bij neergelegd
dat een restaurant-op-loopafstand voor onze villa niet weggelegd was. Met
Roberto en Antonica hadden we er, na hun vertrek bij Amici Miei, wel eens gedagdroomd over de mogelijkheid dat zij de osteria zouden overnemen, maar Roberto
piekerde er niet over zolang de eigenaren er nog boven woonden, hun eigen
ervaringen indachtig en gewaarschuwd door de verhalen over de eigenaren van Francia. Maar wat kwam ons onlangs
opeens ter ore? De eigenaren vertrokken, ze gingen verhuizen naar Piemonte. Zou
dit een kans voor Roberto en Antonica zijn? Zouden de eigenaren het restaurant
willen verpachten? Als er nu eindelijk eens een keer geen beren op de weg
zouden verschijnen, verzuchtten we. Uit jarenlange ervaring wisten we dat
Italianen meesters zijn in het opwerpen van blokkades en het bedenken van
complicaties, ook en vooral als het hun eigen zaken betreft! Dit keer zou er
toch wel eens een uitzondering op deze regel mogen komen, vonden wij. Dan was
het eind goed, al goed. Of kennen Italiaanse sprookjes echt geen lieto fine, geen happy end?
maandag 12 oktober 2015
De huishoudster van koningin Juliana
„Kloetzakk,” zei Francesco opeens, boos over het rijgedrag van een stadsgenoot die vlak voor ons de weg op schoot. De ’parole brutte’, scheldwoorden, van een nieuwe taal leer je altijd het eerst en blijven het langst in het geheugen hangen. We waren op weg naar Antonietta, koosnaam ’Tetta’ (tiet!), de vrouw die vijftig jaar geleden tegelijk met Francesco in Nederland was, maar die er in tegenstelling tot hem tientallen jaren was gebleven. Ongetwijfeld had ze in die tijd Nederlands leren spreken en zou ze ons uit de eerste bron kunnen vertellen over haar ervaringen aan het Koninklijke Hof, want ze maakte destijds deel uit van het huishoudelijke personeel van Soestdijk! Waarschijnlijk had Juliana met kerst ook haar mok hoogstpersoonlijk met chocolademelk volgeschonken, zoals ze ieder jaar voor al haar personeel deed. In ieder geval was ze mee met Juliana wanneer die de Costa Smeralda bezocht, zo wist Francesco te vertellen. Daar moesten we meer van weten!
Francesco zat
naast Nico en wees de weg. Ondanks zijn kritiek op het roekeloze rijden van de
andere verkeersdeelnemers had hij de veiligheidsgordel niet om, want „ze
controleerden hier toch nooit”. Die ochtend was hij ons vanuit zijn boomgaard
komen begroeten met een luid „Buongiorno!” In zijn hand had hij een envelop die
een aantal foto's van vroeger bleek te bevatten. Thuis had hij nog eens goed
gezocht en dan eindelijk toch die kiekjes uit 1965 teruggevonden. We waren erg
nieuwsgierig en rukten hem de envelop bijkans uit handen. Zelf deed Francesco
gemaakt nonchalant, maar het feit dat hij het steeds over die periode van
zolang geleden had en zo zijn best deed om zich van alles te herinneren, maakte
duidelijk dat het voor hem toch meer betekende dan hij wilde laten blijken.
Op de foto’s die
hij lukraak op tafel strooide, alsof ze de moeite van het bekijken niet waard
waren, was hij veel te zien met zijn Italiaanse collega’s: een groepsfoto met
alle ouderwetse hutkoffers na aankomst (of voor vertrek?), dezelfde groep voor
een (protestantse) kerkdienst die ze bijwoonden, Francesco met een of twee
muzikale vrienden, alle met gitaar. Ook waren er een paar foto’s van zijn
verblijf in het ziekenhuis, waar hij aan een breuk geopereerd was: een
onschuldige jongeman, een jongen nog, in bed of met de verpleegsters naast hem
in de vensterbank, hij in kamerjas, zij in kraakhelder witte
verpleegsterkostuums. We zagen dat hij een heel knappe jongen was met een
vriendelijk gezicht, die bij de Nederlandse meisjes ongetwijfeld goed in de
smaak was gevallen.
Of hij ook wel eens uit ging ’s avonds, wilden we van Francesco weten. Ja, natuurlijk, er was een bar in de buurt waar gedanst werd: ballroom vooral. Francesco vond de tango en mazurka het leukst. De kunst was het om meisjes van gelijke lengte te vinden, want met zo’n blonde reuzin kon je niks beginnen natuurlijk. Een keer was na middernacht de vriend van een van de meisjes dronken binnen komen stormen en had de Italiaanse danspartner van zijn meisje met een hamer een paar keer op zijn hoofd geslagen. „Oioioi, dat was een toestand,” zei Francesco. Hij was met zijn landgenoten gelijk weggegaan om de gemoederen niet verder te laten oplopen. Voor je het wist, werd je geboeid afgevoerd, en daarbij maakte hij het gebaar van twee samengevouwen handen, als in gebed. „Santa Maria, noemden we dat,” zei Francesco. Dat was een veel gebezigd begrip onder de Italiaanse jongens in die tijd, want ze merkten wel dat de politie extra veel op hen lette. Argwaan ten opzichte van vreemdelingen, het is van alle tijden. En Italianen, dat was in die tijd ’vreemd volk’. Een kleine tien jaar later waren de Turken aan de beurt, toen Polynorm in Turkije ging werven voor personeel.
De Italianen
logeerden tijdens hun verblijf in Nederland in Hotel Duinhof in Soest, dat door
het bedrijf Polynorm in zijn geheel voor zijn werknemers was afgehuurd. De
eigenaresse had zo een vaste bezetting en weinig omkijken naar het hotel, wat
goed uitkwam want ze was continu dronken. Het eten dat ze de fijnproevers uit
het culinaire paradijs Italië voorschotelde, viel niet in de smaak. Tot pap
gekookte spaghetti, bah. Francesco trok er nog een vies gezicht bij en maakte
een wegwerpgebaar. Uiteindelijk hadden ze maar voorgesteld dat ze zelf hun
pasta zouden koken, ook al betekende dat extra werk. Ook de minestrone van
Nederlandse makelij beviel niet, het was dun water met nauwelijks groente.
„Solo brodo!” zei Francesco en stak zijn tong in afgrijzen uit zijn mond.
„Goetverdoemme!”
Een auto stak zonder op te letten opeens van een parkeerplaats de weg op. We
waren bijna bij het huis van Antonietta, ook wel Tiet genaamd. Francesco moest
even goed kijken maar toen zag hij waar we wezen moesten. Haar fiets stond er
niet, dat was een slecht teken want ze deed alles op de fiets.
Een erfenis uit haar Hollandse periode? En inderdaad, er kwam geen reactie op
de bel. Zo jammer! Dan maar naar een bar, besloot Francesco. „Rij maar naar het
strand, naar de bar van Peppe.” Naar die bar had hij ons al de eerste dag
gestuurd toen we hem vroegen waar we in de buurt konden lunchen. We stelden ons
heel wat voor van Peppe, want als hij zo open en spraakzaam was als Francesco
zelf ... Maar we kwamen bedrogen uit. De oudere man die met een jongere hulp de
bar bediende, moest wel Peppe zijn, maar hij keek nors en sprak geen woord.
Zijn mondhoeken wezen naar beneden, zijn lippen waren tot een smalle streep
samengeperst. Vergeleken met zijn omvangrijke lijf, dat er door de
slobberkleding die hij droeg als een hobbezak uitzag, leek zijn hoofd veel te
klein. Een grauwe kers op een grote blubberige pudding. Verder liep hij niet
maar schuifelde, op sloffen die hun beste tijd ook al hadden gehad. Nee, bij Peppe
was er zo te zien het beste wel vanaf.
Toen we met
Francesco aan een tafeltje in de bar gingen zitten, schoof Peppe geluidloos vanachter de
toog tevoorschijn. Francesco begroette hem in dialect, waarop Peppe zowaar
antwoordde, maar zonder dat er ook maar iets in zijn stuurse
gezichtsuitdrukking veranderde. Zijn stem leek totaal niet bij zijn lijf te
passen: waar we een sombere bas verwachtten, klonk tot onze verrassing een
geknepen stemmetje, snerpend als een tandartsboor. Terwijl hij sprak, bleef
zijn mond zo goed als gesloten. Hij leek ook in het geheel niet verrast, laat
staan blij, dat hij Francesco zag, die hij toch al een tijd niet gezien moest
hebben. Toen hij zich omdraaide en weg schuifelde om een flesje bier te gaan
halen, boog Francesco zich naar ons en fluisterde met grote ogen dat hij schrok
hoe dik Peppe geworden was. Zou hij soms ziek zijn?
Peppe bracht een
flesje dat we over drie glazen verdeelden. Mocht hij wel drinken? vroegen we
aan Francesco, veinzend dat we niets wisten en dat zijn zus ons niet had
ingelicht over zijn hartprobleem. „Jawel, een glaasje mocht wel, zo af en toe,”
antwoordde hij. Even later bestelde hij een tweede fles. In de tussentijd
praatte hij met Peppe over kennissen, het verleden, het laatste nieuws. Af en toe vertaalde hij even iets voor ons. De bar
had eerst verderop gestaan, iets verder van het strand, waar nu de
parkeerplaats en rotonde aangelegd waren. Daar was hij ook geboren, begrepen
wij. Stel je voor, dachten we, je hele leven blijf je op dezelfde plek en
speelt zich af binnen een straal van enkele tientallen meters. Is dat een vloek
of een zegen? Peppe was er zo te zien niet vrolijk van geworden.
We gingen naar
huis. Francesco verzamelde zijn foto’s en zei gedag. „Niet tegen mijn zus
zeggen dat ik wat gedronken heb, hoor! Alleen een kopje koffie!” We glimlachten
en zeiden dat we het begrepen. Francesco glimlachte terug en liep zijn
boomgaard in.
Abonneren op:
Posts (Atom)