Italiaanse Toestanden - Emigratieverhalen


maandag 12 oktober 2015

De huishoudster van koningin Juliana


„Kloetzakk,” zei Francesco opeens, boos over het rijgedrag van een stadsgenoot die vlak voor ons de weg op schoot. De ’parole brutte’, scheldwoorden, van een nieuwe taal leer je altijd het eerst en blijven het langst in het geheugen hangen. We waren op weg naar Antonietta, koosnaam ’Tetta’ (tiet!), de vrouw die vijftig jaar geleden tegelijk met Francesco in Nederland was, maar die er in tegenstelling tot hem tientallen jaren was gebleven. Ongetwijfeld had ze in die tijd Nederlands leren spreken en zou ze ons uit de eerste bron kunnen vertellen over haar ervaringen aan het Koninklijke Hof, want ze maakte destijds deel uit van het huishoudelijke personeel van Soestdijk! Waarschijnlijk had Juliana met kerst ook haar mok hoogstpersoonlijk met chocolademelk volgeschonken, zoals ze ieder jaar voor al haar personeel deed. In ieder geval was ze mee met Juliana wanneer die de Costa Smeralda bezocht, zo wist Francesco te vertellen. Daar moesten we meer van weten!  


Francesco zat naast Nico en wees de weg. Ondanks zijn kritiek op het roekeloze rijden van de andere verkeersdeelnemers had hij de veiligheidsgordel niet om, want „ze controleerden hier toch nooit”. Die ochtend was hij ons vanuit zijn boomgaard komen begroeten met een luid „Buongiorno!” In zijn hand had hij een envelop die een aantal foto's van vroeger bleek te bevatten. Thuis had hij nog eens goed gezocht en dan eindelijk toch die kiekjes uit 1965 teruggevonden. We waren erg nieuwsgierig en rukten hem de envelop bijkans uit handen. Zelf deed Francesco gemaakt nonchalant, maar het feit dat hij het steeds over die periode van zolang geleden had en zo zijn best deed om zich van alles te herinneren, maakte duidelijk dat het voor hem toch meer betekende dan hij wilde laten blijken.


Op de foto’s die hij lukraak op tafel strooide, alsof ze de moeite van het bekijken niet waard waren, was hij veel te zien met zijn Italiaanse collega’s: een groepsfoto met alle ouderwetse hutkoffers na aankomst (of voor vertrek?), dezelfde groep voor een (protestantse) kerkdienst die ze bijwoonden, Francesco met een of twee muzikale vrienden, alle met gitaar. Ook waren er een paar foto’s van zijn verblijf in het ziekenhuis, waar hij aan een breuk geopereerd was: een onschuldige jongeman, een jongen nog, in bed of met de verpleegsters naast hem in de vensterbank, hij in kamerjas, zij in kraakhelder witte verpleegsterkostuums. We zagen dat hij een heel knappe jongen was met een vriendelijk gezicht, die bij de Nederlandse meisjes ongetwijfeld goed in de smaak was gevallen.   



Of hij ook wel eens uit ging ’s avonds, wilden we van Francesco weten. Ja, natuurlijk, er was een bar in de buurt waar gedanst werd: ballroom vooral. Francesco vond de tango en mazurka het leukst. De kunst was het om meisjes van gelijke lengte te vinden, want met zo’n blonde reuzin kon je niks beginnen natuurlijk. Een keer was na middernacht de vriend van een van de meisjes dronken binnen komen stormen en had de Italiaanse danspartner van zijn meisje met een hamer een paar keer op zijn hoofd geslagen. „Oioioi, dat was een toestand,” zei Francesco. Hij was met zijn landgenoten gelijk weggegaan om de gemoederen niet verder te laten oplopen. Voor je het wist, werd je geboeid afgevoerd, en daarbij maakte hij het gebaar van twee samengevouwen handen, als in gebed. „Santa Maria, noemden we dat,” zei Francesco. Dat was een veel gebezigd begrip onder de Italiaanse jongens in die tijd, want ze merkten wel dat de politie extra veel op hen lette. Argwaan ten opzichte van vreemdelingen, het is van alle tijden. En Italianen, dat was in die tijd ’vreemd volk’. Een kleine tien jaar later waren de Turken aan de beurt, toen Polynorm in Turkije ging werven voor personeel.




De Italianen logeerden tijdens hun verblijf in Nederland in Hotel Duinhof in Soest, dat door het bedrijf Polynorm in zijn geheel voor zijn werknemers was afgehuurd. De eigenaresse had zo een vaste bezetting en weinig omkijken naar het hotel, wat goed uitkwam want ze was continu dronken. Het eten dat ze de fijnproevers uit het culinaire paradijs Italië voorschotelde, viel niet in de smaak. Tot pap gekookte spaghetti, bah. Francesco trok er nog een vies gezicht bij en maakte een wegwerpgebaar. Uiteindelijk hadden ze maar voorgesteld dat ze zelf hun pasta zouden koken, ook al betekende dat extra werk. Ook de minestrone van Nederlandse makelij beviel niet, het was dun water met nauwelijks groente. „Solo brodo!” zei Francesco en stak zijn tong in afgrijzen uit zijn mond. 


„Goetverdoemme!” Een auto stak zonder op te letten opeens van een parkeerplaats de weg op. We waren bijna bij het huis van Antonietta, ook wel Tiet genaamd. Francesco moest even goed kijken maar toen zag hij waar we wezen moesten. Haar fiets stond er niet, dat was een slecht teken want ze deed alles op de fiets. Een erfenis uit haar Hollandse periode? En inderdaad, er kwam geen reactie op de bel. Zo jammer! Dan maar naar een bar, besloot Francesco. „Rij maar naar het strand, naar de bar van Peppe.” Naar die bar had hij ons al de eerste dag gestuurd toen we hem vroegen waar we in de buurt konden lunchen. We stelden ons heel wat voor van Peppe, want als hij zo open en spraakzaam was als Francesco zelf ... Maar we kwamen bedrogen uit. De oudere man die met een jongere hulp de bar bediende, moest wel Peppe zijn, maar hij keek nors en sprak geen woord. Zijn mondhoeken wezen naar beneden, zijn lippen waren tot een smalle streep samengeperst. Vergeleken met zijn omvangrijke lijf, dat er door de slobberkleding die hij droeg als een hobbezak uitzag, leek zijn hoofd veel te klein. Een grauwe kers op een grote blubberige pudding. Verder liep hij niet maar schuifelde, op sloffen die hun beste tijd ook al hadden gehad. Nee, bij Peppe was er zo te zien het beste wel vanaf.


Toen we met Francesco aan een tafeltje in de bar gingen zitten, schoof Peppe geluidloos vanachter de toog tevoorschijn. Francesco begroette hem in dialect, waarop Peppe zowaar antwoordde, maar zonder dat er ook maar iets in zijn stuurse gezichtsuitdrukking veranderde. Zijn stem leek totaal niet bij zijn lijf te passen: waar we een sombere bas verwachtten, klonk tot onze verrassing een geknepen stemmetje, snerpend als een tandartsboor. Terwijl hij sprak, bleef zijn mond zo goed als gesloten. Hij leek ook in het geheel niet verrast, laat staan blij, dat hij Francesco zag, die hij toch al een tijd niet gezien moest hebben. Toen hij zich omdraaide en weg schuifelde om een flesje bier te gaan halen, boog Francesco zich naar ons en fluisterde met grote ogen dat hij schrok hoe dik Peppe geworden was. Zou hij soms ziek zijn? 


Peppe bracht een flesje dat we over drie glazen verdeelden. Mocht hij wel drinken? vroegen we aan Francesco, veinzend dat we niets wisten en dat zijn zus ons niet had ingelicht over zijn hartprobleem. „Jawel, een glaasje mocht wel, zo af en toe,” antwoordde hij. Even later bestelde hij een tweede fles. In de tussentijd praatte hij met Peppe over kennissen, het verleden, het laatste nieuws. Af en  toe vertaalde hij even iets voor ons. De bar had eerst verderop gestaan, iets verder van het strand, waar nu de parkeerplaats en rotonde aangelegd waren. Daar was hij ook geboren, begrepen wij. Stel je voor, dachten we, je hele leven blijf je op dezelfde plek en speelt zich af binnen een straal van enkele tientallen meters. Is dat een vloek of een zegen? Peppe was er zo te zien niet vrolijk van geworden. 

We gingen naar huis. Francesco verzamelde zijn foto’s en zei gedag. „Niet tegen mijn zus zeggen dat ik wat gedronken heb, hoor! Alleen een kopje koffie!” We glimlachten en zeiden dat we het begrepen. Francesco glimlachte terug en liep zijn boomgaard in.


woensdag 7 oktober 2015

Memories

 „Busta paga! Capisci?” Francesco stond opgewonden voor ons te gebaren om ons iets duidelijk te maken wat we niet begrepen. „Busta paga,” riep hij nog maar eens vertwijfeld. Dat begrip hoorden we wel vaker voorbij komen op de journaals van RaiUno en RaiTre en het had iets met werk en salaris te maken, dat wisten we wel. Maar onze kennis schoot tekort ten opzichte van wat Francesco ons wilde vertellen.


Al weken geleden vroeg Francesco tot vervelens toe aan zijn zus wanneer die ’Olandesi’ nu eindelijk eens kwamen. Degenen die zijn oude huisje gehuurd hadden voor een vakantie op Sardinië. Met wie hij over Nederland zou kunnen praten, het land waar hij 50 jaar geleden, in 1965, een jaar gewerkt had. En nu ze er eindelijk waren, stapte hij ook gelijk op ze, ons dus, af. Hij liep toch iedere dag door de grote achtertuin van het vakantiehuis, dat door zijn jonge neef helemaal opgeknapt was om het te kunnen verhuren. Die tuin was nog steeds zijn boomgaard en "orto", moestuin, en grensde aan de stal erachter waar hij een varken hield. In de tuin stond ook nog een kalf dat hij iedere dag verplaatste naar een nieuw stuk met vers gras. In zo’n tuin was elke dag wel wat te doen en iedere ochtend zagen we Francesco dan ook komen aanrijden in zijn oude Fiat Panda, het favoriete voertuig van de moderne landbouwer. Een koekblik op wielen.

„Buon giorno!” riep hij al meteen de eerste ochtend toen we er waren. Doodgemoedereerd stapte hij op ons af, verlegenheid kende hij niet. Hij was meer dan een kop kleiner dan wij en zijn gerimpelde huid was bruingebrand door het leven in de hier altijd schijnende zon. Maar zijn haar had hij nog en het glom ons gitzwart tegemoet. Hij leek ons een van die vele Italianen die gemakkelijk tot diep in de negentig zullen reiken voordat ze opeens, onverwacht, dood omvallen en door hun talrijke nazaten en nog taaiere generatiegenoten betreurd worden middels de zwartomrande overlijdensplakkaten op de publicatieborden in dorp en stad: „Geheel onverwacht uit ons midden weggerukt, op 98-jarige leeftijd ...” Maar nee, in dit geval was zijn blakende verschijning toch bedrieglijk, wisten we van zijn zus die ons eerder die ochtend ontvangen had. Ze kwam net met Francesco terug van het ziekenhuis, waar ze een TAC gemaakt hadden: een hartscan.

Francesco had een zwak hart, zei zijn zus met bezorgd gezicht. Vroeger zong hij zo mooi, mijmerde ze, maar toen was hij gaan roken en had hij zijn stem verpest. Zo jammer. Bovendien riepen zijn zussen en broers allemaal dat hij eens op moest houden met die liedjes uit de oude doos. „Wisten wij veel in die tijd, onbenullige jeugd die we waren. Nu zouden we hem die liedjes zo graag nog eens horen zingen!” „Nou misschien nodigen we hem wel een avondje bij ons,” riepen wij enthousiast. Ja, dat was wel een leuk idee, zei Francesco’s zus. Maar we moesten hem dan maar geen koffie of alcohol aanbieden want dat zou zijn hart geen goed doen en in nee zeggen was haar broer niet sterk. De verleiding van een borreltje zou hij maar moeilijk kunnen weerstaan.

Dat Francesco een levensgenieter was geweest (?), bleek ook uit zijn verhalen over de periode dat hij in Nederland had gewoond. Met een man of twintig uit Orosei, het plaatsje waar het vakantiehuisje stond, waren ze met een bus naar Nederland gebracht. In die tijd werkten er bij de metaalfabriek van Polynorm wel honderd Italianen, voor het merendeel uit Sardinië. Ze logeerden allemaal in een hotel in Soesterberg, een naam die hij nog goed wist uit te spreken. De klanken van ’Bunschoten’ bleken een grotere hobbel voor zijn verroeste Nederlands en die plaatsnaam begrepen we pas na veel herhaling van zijn en gokwerk van onze kant. „Soesterberg, waar de koningin woonde!” riepen we enthousiast. „Si, si,” dat wist Francesco ook nog. Sterker nog, een meisje uit Orosei was nog als huishoudster bij Juliana in dienst geweest! Misschien zouden we die eens moeten opzoeken voor wat smeuïge details over het koninklijke huishouden in die tijd!


Of Francesco ook een liefje had gehad, wilden wij weten, nieuwsgierig als altijd en geïnspireerd door de TV-programma’s ’Spoorloos’ en ’Memories’. Er verscheen een besmuikt lachje op Francesco’s gerimpelde gezicht. Nee, nee, hij had zich altijd keurig gedragen, beweerde hij en begon weer over de kwestie die hem echt interesseerde, de ’busta paga’. Pas na veel heen en weer gepraat begon ons te dagen waar hij het over had. Gedurende het jaar dat hij bij Polynorm gewerkt had, was er ook keurig pensioenpremie door het bedrijf afgedragen (het was geen Italiaans bedrijf, tenslotte). Maar terwijl zijn collega’s uit Orosei inmiddels allemaal een klein pensioentje ontvingen, kreeg Francesco niets. Domweg doordat hij het destijds bij zijn vertrek uit Nederland niet had aangevraagd. Nu wilde hij dat alsnog doen maar daarvoor had hij een bewijs nodig, een bewijs dat hij bij Polynorm gewerkt had en dat de premie was ingehouden. Een loonstrookje dus, ofwel een ’busta paga’. En dat kon hij verdraaid nog aan toe toch echt niet meer vinden in zijn spullen uit die tijd! Francesco keek er pijnlijk bij en zuchtte: „Perché non me lo danno, perché?” We konden niet een twee drie bedenken hoe we zouden kunnen helpen en haalden onze schouders op.


Om een vrolijker onderwerp aan te snijden, vroegen we maar eens naar zijn vrijetijdsbesteding in Nederland, ’s avonds en in de weekenden. Francesco ontwaakte meteen uit zijn gesomber en in zijn ogen begon het te twinkelen. Ze gingen vaak met zijn allen naar het zwembad en daar kregen ze met hun gebruinde, slanke lijven, donkere ogen en dito haren alle aandacht van de Nederlandse meisjes, die wel eens wat anders wilden dan gebruikelijke blonde, bleke kaaskoppen. En het flirten zit de Italiaanse man in de genen, daar kan hij niets aan doen, Italië is nu eenmaal het land waar de liefde (’Amore’ ... het woord alleen al!) is uitgevonden. Dus er gebeurde wel eens wat, ja, dat kon hij niet ontkennen. Er ontstonden relaties voor de duur dat ze daar in het koude kikkerland woonden, hoe kon het anders. Jongens alleen, ver van huis in een land waar de zon nooit schijnt, die zoeken een beetje geborgenheid en troost. En liefde.

Francesco verzonk even in gedachten. „En jij dan, vroegen we, had jij geen liefje?” We konden het ons niet voorstellen want charmant was hij nog steeds, ondanks zijn meer dan zeventig romantische lentes tellende leeftijd. Misschien had hij zijn hart wel in de liefde versleten? „Joke,” fluisterde Francesco opeens, „ze heette Joke.” Daar had hij wel een tijdje mee gescharreld, begrepen we uit zijn omzichtige bewoordingen. Ja, dat was een leuk meisje. Nadat hij naar Italie was teruggekeerd, had hij nog zeker acht jaar lang overwogen om definitief naar Nederland te verhuizen, zuchtte hij. Om Joke? vroegen wij ons af zonder het hem te durven vragen. Ook de Nederlandse directheid kent zijn grenzen als het té precaire zaken betreft. Maar hij had het niet gedaan en was 38 jaar lang in de groente- en fruithandel blijven steken. En nu had hij ook nog eens geen pensioen door die onvindbare ’busta paga’.


Joke. Haar achternaam wist hij helaas niet meer. Zei hij. Maar wie weet kunnen we die nog uit hem lospeuteren in een volgend praatje, zodat we ’Memories’ kunnen tippen. ’Onze’ Francesco op de Nederlandse TV, dat zou wat zijn! Wie weet lukt het. We hebben nog een paar dagen. Toch maar een borrelavond organiseren?





dinsdag 25 augustus 2015

Hittegolf



De zomer van 2014 kwam maar niet op gang en was nat en koel. De gemiddelde temperatuur kwam in juli niet boven de 21 graden uit (normaal 24). Het was Bijna Nederland! In september wisten de wijnboeren dan ook niet meer wat ze met de druiven aanmoesten: oogsten terwijl het suikergehalte nog te laag was (en de wijn dus een lager alcoholpercentage zou krijgen, later suiker toevoegen is bij wet verboden) of nog laten hangen waarbij een deel dan intussen door schimmels wordt aangetast? Een keuze uit twee kwaden. Nee, 2014 was voor de wijn geen topjaar.

Maar dan 2015! De weergoden nemen revanche! Na een heel zachte winter met maar een klein laagje natte sneeuw sloegen we de lente haast over. Het was al vroeg in het jaar warm en sinds half juni wijst de thermometer alleen nog maar maximale waarden van boven de 30 aan. Volgens het weerstation van de Centro Meteorologico Lombarda dat in onze tuin staat (waarden af te lezen op de site www.centrometeolombardo.com ), is de hoogste waarde die de afgelopen jaren (sinds 2011) bereikt is 36,2 graden (op xx juli 2012). Als de voorspellingen uitkomen dan gaan we daar dit jaar overheen. Het gemiddelde van juli komt dit jaar sowieso veel hoger uit, misschien wel tegen de 28.

Voor de druiven betekent dit dat de groei voorspoedig verloopt. De wortels van deze plant gaan zo diep dat er nooit water gegeven hoeft te worden. Een enkele onweersbui brengt genoeg water om de ontwikkeling van de zoete vruchten niet te doen stagneren. En daar begint het nu wel een beetje te knellen: de laatste regen dateert van ruim een maand geleden. Dus beginnen de boeren te klagen want er moet altijd wat te klagen blijven. Het zal wel los lopen, denken wij dan, gewend aan het eeuwige gemopper van de Italiaan over het weer: te koud, te veel sneeuw, te nat, te warm, te droog. Het lijken wel N..........


We kijken vanaf ons terras belangstellend toe hoe de druiven zwellen en zijn benieuwd of we nu zelf zullen meemaken wat er in 2007 gebeurde. Toen waren we begin september even in de Oltrepò en viel het ons op dat er al geen trosje meer aan de stuiken hing. Na een heel erg hete zomer was alles in augustus al geoogst! Vanaf onze observatiepost met vrij uitzicht over de hellingen zien we nu dat de planten er vol en vetgroen uitzien: een prachtig gezicht. Bovendien is het heel rustig want de activiteiten in de wijngaarden zijn nagenoeg stilgevallen. Als het warm en droog is, groeit het onkruid niet en ontstaan er geen schimmels dus wordt er niet gewied en niet gespoten. En in dit jaargetij stopt de plant alle zonne-energie in de groei van de druiven en niet in nieuw blad zodat verdere snoei ook niet nodig is. De meeste seizoensarbeiders zijn even met verlof gestuurd om als de oogst aanstaande is hun intrek in hun tijdelijke woonvertrekken weer in te nemen.

Zelf vallen we ook stil en gaan in de hitteoverlevingsstand. Nu begrijp je opeens waarom de siësta uitgevonden is. Als je nog werk wil verzetten, moet je er vroeg op de dag bij zijn of moet je wachten tot de avond valt. En er is voor ons wel werk te verzetten want in tegenstelling tot de wijngaarden heeft onze tuin wel behoefte aan water. Sproeien dus, iedere dag weer, als je wilt dat je met veel moeite gecreëerde bloemenparadijs de zomer overleeft. Gelukkig nemen enkele slimme irrigatiesysteempjes wat werk uit handen en kunnen de meeste inheemse planten wel tegen een (klein) stootje. Mediterrane kruiden zijn wel wat ontberingen gewend en ook rozen houden het hier lang vol, net als siergrassen. Na de nodige studie-uurtjes ontdekte ik dat vooral prairieplanten ons klimaat goed aankunnen. Oleanders natuurlijk, niet alleen in potten maar ook in de volle grond. Irissen in alle kleuren van de regenboog, zelfs blauw. En verschillende vruchtdragende planten zoals vijgen en granaatappels en vooral pruimen. De jam voor de B&B gasten is gereed! De moestuin heeft helaas het onderspit moeten delven, na een overvloedige oogst aan tuinbonen en een paar courgettes. De tomaten zijn weer eens aangetast: de beruchte zwarte vlek is aan de onderkant verschenen. Gelukkig hebben we nog steeds passata uit roemrijker jaren.

Het is bijna vijf uur ofwel de klok ligt in de vijver zoals we hier ter stede zeggen. Tijd voor de aperitivo. We openen maar eens een heerlijke spumante van het wijnhuis Monteguzzo (uit te spreken als Monte Goedzo) hier uit de buurt, zie www.monteguzzowines.it  . Een Camillion bijvoorbeeld, gemaakt van de pinot nero druif waarmee de meeste hellingen hier bekleed liggen en gegist op de fles. Champagne dus eigenlijk al mag het niet zo heten. Wat maakt het uit hoe het heet, het is topkwaliteit voor een spotprijs. Salute en cin cin. Op een goed wijnjaar!

zondag 26 juli 2015

Prima visita



Ik zie twee vuilgele rubberen handschoenen op een van de stoeltjes in de wachtruimte liggen. Dat voorspelt niet veel goeds. Hoe hygiënisch werkt men in Italiaanse ziekenhuizen eigenlijk? Uit de zich in mijn geheugen bevindende verzameling rampverhalen over de gezondheidszorg in Italië duikt spontaan de affaire van het ziekenhuis in Rome op. Daar had men jaren geleden per ongeluk een paar aansluitingen in de kelder verwisseld waarna de bedden van een hele afdeling intensive care opeens „vrijkwamen”. Ook schieten mij de waarschuwingen van een paar van onze Italiaanse kennissen te binnen: „Zit je bij de ASL? Die laten je gewoon doodgaan hoor!” De ASL is het Italiaanse ziekenfonds, vooral bekend van bureaucratie en inefficiëntie. En sterfgevallen dus volgens de ons verschrikt toesprekende 'local experts'. Maar wij laten ons niet zo gauw intimideren door die bange en door gezondheid geobsedeerde zuiderlingen. Een spatje regen, een zuchtje wind, een beetje kou en deze hypochonders denken dat ze al met een been in het graf staan. Italianen denken vanaf hun geboorte aan niets anders dan doodgaan. 

Maar nu zit ik hier toch maar, zie die tuinhandschoenen, ontworpen voor het diepere spitwerk en piep een klein beetje anders. Het is een prima visita, een eerste consult bij de uroloog voor het typische oudere mannenkwaaltje: plasproblemen. Het ziekenhuis ziet er al niet erg bemoedigend uit: de gebruikelijke oude en slecht onderhouden zooi die je in alle Italiaanse overheidsgebouwen aantreft. Gammele, steevast olijfgroen geverfde deuren, afgekloven tafels en stoelen, rammelende ruiten met afgebladderde roestig ijzeren kozijnen en her en der met tape beplakte barsten en verder nauwelijks voorzieningen. Een flesje water zou toch wel handig zijn met deze hitte (midzomer 33 graden buiten, 37 binnen) maar de hypermoderne automaat die het levensreddende vocht zou moeten verstrekken, is leeg. Niet bijgevuld. En de overheid maar benadrukken dat het met deze hitte zo belangrijk is om te blijven drinken. 


Ik was veel te vroeg want bij een eerste bezoek weet je nooit hoeveel tijd het allemaal kost en je wilt er wel zeker van zijn dat je bij de eigenlijke arts op tijd bent. Eerst moet je langs het CUP, het Centro Unico di Prenotazione, om je ticket, de eigen bijdrage te betalen. Het begrip unico zie je wel vaker bij officiële zaken opduiken en betekent dat er vroeger verschillende centra(!) zijn geweest maar dat de overheid de bureaucratie een fatale slag heeft toegebracht door die centra samen te brengen. Zou het? Het wachten voor de loketten van het CUP kan afhankelijk van seizoen, dag van de week en uur van de dag nog steeds aardig wat tijd vergen. Ook de zaal van het CUP van het Ospedale di Voghera is op een massa gezondheidsbehoeftigen berekend. Er zijn wel zeven loketten (op dit uur nog met door luxaflex geblindeerde raampjes) en lange rijen met stoelen. Ook is er een nummertjesmachine. Als ik om half acht binnenkom, is er nog niemand. Ik trek maar alvast een nummertje: 57. Hopelijk beginnen ze straks niet met 1. Uit de met informatie-A4tjes volgehangen loketwanden maak ik op dat de intake pas om acht uur begint. Gelukkig ligt er tegenover het ziekenhuis een café (wie had anders verwacht?) waar ik even een lungo kan gaan drinken. Jammer genoeg is dit een krantloos lokaal dus ben ik al snel weer terug in de wachtzaal. Inmiddels zit er een andere patiënt, op de achterste rij. Hij beantwoordt mijn groet niet. Maleducato, denk ik. 


Nog een kwartiertje wachten. Geleidelijk druppelen er nog wat klanten binnen. Ze trekken allemaal hun nummertje. Ik ben dus zeker de eerste, of beter: ik ben de eerste twee want doordat ik te hard had getrokken, kreeg ik nummer 57 én 58 in handen. De ouwe chagrijn die na mij komt, zal dus nog een fractie langer moeten wachten, tot duidelijk is dat nummer 58 niet meer geïnteresseerd is. Dat zal hem leren. De luxaflexen blijven nog omlaag maar ik zie achter een aantal raampjes wel wat handen die druk bezig zijn rollen met muntjes klaar te leggen. Wisselgeld. Hoeveel zal mijn ticket dit keer kosten? vraag ik me af. Maar wacht, daar gaat de eerste luxaflex omhoog. Erachter vandaan verschijnt een niet onknappe jongeman die meteen „Il primo!” roept. Fout natuurlijk want hij moet een nummer roepen en dat ook op het digitale schermpje boven zijn loket laten verschijnen. Mijn oude concurrent staat met een voor een hulpbehoevende patiënt verbazingwekkende snelheid op en is al bij het loket voor ik nog maar naar adem heb kunnen happen. Maar nu maak ik ook aanstalten om naar het loket te gaan. De jongeman ziet de verwarring en roept gauw (in paniek?) „Numero 57!” een nummer dat tegelijkertijd ook onverbiddelijk in rode led-lichten boven zijn hoofd verschijnt. Ik steek mijn arm met mijn nummertje, het bewijsstuk, naar voren. De oude atleet begint tegen mij te mopperen. „Hoe kan het dat u een lager nummer heeft?” vraagt hij ongelovig, „Ik was hier als eerste.” „Nee, ik was er al om half acht,” antwoord ik glimlachend. Boos kijkt de norse man mij aan. „Dus daarna bent u weer weggegaan!” zegt hij bestraffend. „Ja, ik ben even koffie gaan drinken,” zeg ik nonchalant. „Mooi is dat, dan kom ik in het vervolg al de avond ervoor om een nummer te trekken!” roept hij nu verontwaardigd uit en kijkt daarbij vragend naar de jonge lokettist. Die pakt echter mijn papieren en begint mijn gegevens in te voeren. De oude man druipt mopperend af. „Nummer 58” hoor ik vanuit een loket verderop dat kennelijk ook net is opengegaan. Hij vangt weer bot, denk ik vals, maar als Niemand zich meldt is de oude hork toch aan de beurt. Vanaf mijn plek hoor ik hem nog doorgaan met klagen tegen de andere lokettist. 


„Alles oké, dat is dan 28,60 euro,” zegt de mooie loketjongen en geeft me mijn papieren terug. „De afdeling Urologie is op de eerste verdieping,” vervolgt hij. Shit, hij weet natuurlijk waarvoor ik kom, denk ik beteuterd, privacy ho maar, ondanks alle officiële regeltjes die hierover op alle documenten. Zie ik daar een vluchtige glimlach om de mond van mijn lokettist? Prostaatklantje zal hij wel denken, besef ik en druip verslagen af. Mijn mopperaar was sneller klaar en is niet meer in de zaal te bekennen. Misschien zie ik hem zo weer bij urologie, denk ik nog, maar nee. In het wachtgedeelte bij de plasdokter is er wel een andere patiënt die mij vriendelijk groet. Lotgenoten onderelkaar? Gezamenlijk leed verbroedert. Ook hier moeten we wachten want het doktersconsult begint pas om half negen. Twee doktersassistentes lopen af en aan, openen kamers, rommelen daar wat, brengen en halen dossiers, sluiten kamers af en gaan weer weg. De een doet dit zuchtend en met serieuze blik, de ander slenterend en verveeld. Het lijkt erop dat de tweede zich telkens opmaakt om iets te gaan verrichten en dan ontdekt dat de ander dat al gedaan heeft. Overbodig personeel? Stille werkloosheid? Op een van de stoelen zie ik de handschoenen liggen.


De zuchtende zuster dribbelt weer de wachtruimte binnen, neemt de rubberen handschoenen weg en loopt ermee naar de kamer waar in grote letters „Dermatologie” op staat. „Hier vindt straks het onderzoek plaats,” roept ze naar de wachtenden bij urologie. Ons groepje heeft zich tot een man of vijf uitgebreid. Hebben die allemaal een afspraak om half negen? vraag ik me bezorgd af. Zo te zien is er maar één behandelruimte in voorbereiding. „De dokter komt zo,” hoor ik de assistente zeggen. Ze verlaat de behandelkamer. Zonder handschoenen. Wij wachten. Bij een van de mannen gaat voortdurend  zijn mobiele telefoon af. Drukbezet zeker. Hij kijkt ongeduldig om zich heen en begint wat tegen zijn vrouw te mopperen. Zijn been wipt zenuwachtig op en neer. Het is al over half negen. De man kan zijn onrust niet meer bedwingen en loopt naar de deur van de behandelkamer om opstandig het informatieblaadje met de behandeluren te bekijken, waarop informatie staat die hij allang in zijn hoofd geprent had. Behandeltijd maandag t/m vrijdag van 8:30 tot 12 uur. De man kijkt er een tijdje streng naar, alsof hij het begin van het consult op die manier kan afdwingen maar er verschijnt geen arts en de deur blijft dicht. De man gaat weer zitten. 

Om kwart voor negen komt de serieuze zuster weer aanlopen en roept enigszins verwilderd: „De dokter is onderweg! Ik neem vast uw verwijsbriefjes in zodat de dokter meteen kan beginnen als hij arriveert.” Ons groepje is intussen uitgedijd tot zeven personen. De zuster verdwijnt met de stapel briefjes in de behandelkamer en blijft vijf minuten weg. Ze komt tevoorschijn en loopt weer weg waarbij de deur deze keer openblijft. Ik zie een soort kamerscherm. Daarachter vermoed ik de tafel waarop de „prima visitatie” ongetwijfeld plaats zal vinden. Ik slik. Na nog eens tien minuten verschijnt er een slordig gekapte en ongeschoren man in wapperende witte jas. Hij snelt zonder op of om te kijken tussen de wachtenden door naar de behandelkamer. Is dit de arts? We horen hem mopperen. Hij loopt de kamer weer uit en begint in de naastgelegen wachtruimte heftig te discussiëren met de slenterzuster. Die geeft geen krimp maar komt even later toch achter hem aangesjokt om hem te assisteren. 

„Smoelderssss?” hoor ik haar even later roepen. Ik ben als eerste aan de „beurt”! De ongeduldige man kijkt me chagrijnig aan terwijl ik langs hem heen flaneer. Nu loop ik nog soepel. De arts zit achter een pc verwoed te typen. Hij kijkt niet op of om, gromt wat en wijst naar de behandeltafel waar ik kennelijk gestrekt op moet plaatsnemen. Er volgen wat staccatovragen (“Leeftijd?” “Allergieën?” “Medicijnen?”). Zodra hij mijn antwoorden heeft ingetypt, staat de arts op, gebaart de invalassistente naast mij plaats te nemen en gromt dat ik mijn broek naar beneden moet trekken. Hij voelt wat aan penis en ballen en commandeert me mijn knieën op te trekken. Hij trekt een handschoen aan. Ik kan niet goed zien of dat een van die uit de wachtruimte is. De zuster heeft een tube gepakt en knijpt er een vloeistof uit over de vingers van de arts. Voor ij het weet zit hij al met twee vingers in me, heeft hij even gedrukt en gewroet en hoppa is hij er al weer uit. Ik kan me weer aankleden. Ik sta even daarna weer achter zijn pc. Hij kijkt me nog steeds niet aan. De andere zuster komt binnen, excuses makend dat ze dringend ergens anders moest zijn. De andere gaat weg. „Si accomodi! Gaat u toch zitten!” zegt ze. Eindelijk menselijk contact.

Ten slotte overhandigt de medicus mij het geprinte resultaat van al zijn typewerk. Prostaat normaal, zie ik in een flits. Echografie van de urinewegen nodig. Ik pak het aan en zie warempel een minzaam glimlachje op het gezicht van de „analist” verschijnen. „Eerst naar de huisarts,” beveelt hij. “Bloed- en urineonderzoek.” “Maar dat is al gedaan,” reageer ik verbaasd en haal de analyseresultaten te voorschijn. De mini-glimlach is alweer van het gezicht van mijn uroloog afgegleden. “Resultaten van eerder onderzoek moet u aan het begin meteen laten zien!” zegt hij bars. “Ja maar u heeft toch niks gevraagd,” aarzel ik timide en kijk de assistente beteuterd aan. “Resultaten moet u altijd eerst laten zien,” zegt ze ook, maar met een vergiffenisvolle blik. Als ik een dag later voor het bureau van Dezza verschijn en hij mijn briefje leest, begint hij te lachen. „Ah, Maurizio,” zegt hij en trekt een veelbetekenende blik. „Hoe was dat?” Ik maak duidelijk dat de visitatie nogal ruw was en nauwelijks 10 seconden duurde. „Ah, si, è un chirurgo,” antwoordt Dezza glimlachend en zijn ogen twinkelen weer eens. “Chirurgen zijn nogal kort van stof en ruw van handeling.”

 Voor meer Italiaanse Toestanden: lees mijn boek!